Start Omhoog Inhoud Zoeken

Publicatie 5
Publicatie 1 Publicatie 2 Publicatie 3 Publicatie 4 Publicatie 5 Publicatie 6 Publicatie 7 Publicatie 8 Publicatie 9 Publicatie 10 Publicatie 11 Publicatie 13 Publicatie 12 Publicatie 14 Publicatie 15 Publicatie 16 Publicatie 18

 

 

 

Sociale verbanden bij working poor en onderklasse.

Ons uitgangspunt.

   Sociale verbanden komen mede door onderklassevorming, het voor velen verworden tot het duurzaam bekleden van een positie van working poor en individualisering in belangrijke mate anders te liggen voor een breed samengestelde groep. Zij- de sociale verbanden, waarbij de arbeidsrelatie in belangrijke mate bepalend is en blijft, krijgen voor velen ook een minder duurzaam karakter, maar blijven wel in belangrijke mate wel een werkgericht karakter dragen. Voor velen is de al dan niet duurzame binnen de maatschappij  daarvan afgeleid; dit ook als het gaat om de daarvan afgeleide positie binnen het stelsel van sociale zekerheid. Zij is en blijft daarmee dan ook aanvullend in belangrijke mate bepalend voor de plaats, die men inneemt in de formele rij op weg naar de arbeidsmarkt om daar te komen tot een vorm van duurzaam (her)intreden. Sociale verbanden, die met name bij de groep van blijvers in de bijstand ook vaak sterk naar binnen zijn gekeerd en een beperkt karakter dragen (Pas, I van der en Serail, S., 1999).

     Herintreding krijgt een zeer diverse invulling in de beleidsvorming, maar zij die achter in de rij staan blijven in belangrijke mate achter in de rij staan (Kloosterman, R., 1987). De administratieve “afstand” tot de arbeidsmarkt blijft in belangrijke mate bepalend voor de beleidsvorming en voor de aard en omvang van de dienstverlening. Institutionele- en organisatorische belangen en indelingen blijven domineren. Dit terwijl de kans dat men als individu afwijkt van het standaard gemiddelde  groter wordt voor een naar aspiratieniveau, capaciteiten en mogelijkheden breder samengestelde groep. Daarmee het belang relativerend van het strikt blijven denken in generieke van elkaar afgescheiden in divse kokers vormgegeven beleid. De standaardmodelburger blijft echter de basis vormen voor de beleidsvorming, daar waar afwijkingen steeds meer voorkomen. Dit terwijl afwijkingen steeds meer voorkomen.

    En dit alles ook in een periode waar grote groepen bijstandsgerechtigden vrijstelling van sollicitatieplicht hebben om een diversiteit aan in vele gevallen vaak meervoudige maatschappelijke redenen en problemen. En gedeeltelijk arbeidsongeschikten  weer een sollicitatieplicht  krijgen. Daarmee al met al leidend tot meer diverse vormen van in- en uitsluiting. Een toenemende diversiteit, die mede veroorzaakt wordt door de sterk veranderende  maatschappelijke ontwikkelingen.  

Sociale in- en uitsluiting.

    Sociale uitsluiting (Jehoel-Gijsbers, G.J., 2004) krijgt daarnaast ook verder voor velen in de vorm van naar asspiratieniveau, capaciteiten en mogelijkheden al dan niet op termijnd iverser samengestelde groepen ook vaak een gradueel meer divers karakter, vanwege de sterk veranderende maatschappelijke verhoudingen en is daarmee voor grote groepen ook minder eenduidig te definieren in twee absoluut diametraal tegenover elkaar staande polaire termen. Insluiting  kan omslaan in uitsluiting en velen komen vanuit een positie van  uitgeslotene nooit tot volledige insluiting. Vele outsiders verkrijgen daarmee geen gelijkwaardige relatie tot  insiders. Generieke administratieve- en maatschappelijke risicofactoren kunnen een gedeelte van de verklaring leveren, daarnaast blijft het vaak de sociale omgeving, die in belangrijke mate bepalend blijft voor het optreden van sociale uitsluiting.

    Mede bepalend voor het succesvol optreden van (semi)overheid e.a. blijft vaak het behoren tot bepaalde administratieve doelgroepen van beleid. Zij komt in een andere relatie te staan tot ondersteunende sociale netwerken van afzonderlijke clienten. Deze beperkte administratieve indeling blijft vaak bepalend voor het toekennen van bepaalde aanvullende hulpbronnen door (semi)overheid e.a. Het strikt blijven denken enkel in administratieve doelgroepen van beleid moeten wij daarbij in belangrijke mate relativeren als zijnde bepalend in unieke zin voor het bepalen van de mate van succes. Zijn kunnen tenslotte zorg blijven dragen voor het op blijven treden van allerlei  formele drempels en knelpunten.

    Voor velen komt zij- de mate van optredende sociale in- en uitsluiting vaak op een glijdende gradueel van elkaar verschillende schaal tot stand. Brede, maar daarnaast zwakke sociale netwerken staan daarbij in belangrijke mate tegenover sterke-, maar beperkte sociale netwerken (Granovetter, M., 1977). In de tijd gemeten verschillen m.b.t. de bij individuen optredende mates van sociale insluiting spelen daarbij ook in toenemende mate een rol van betekenis. Tijdelijkheid speelt daarom naast het  behoren tot bepaalde probleemgroepen van beleid dan ook bij velen in toenemende mate een rol van betekenis. Inbedding in sociale verbanden, die in belangrijke mate bepalend blijft voor het succesvol aanbieden van (aanvullende) hulpbronnen door (semi)overheid e.a. Administratieve doelgroepen van beleid vragen daarom in de praktijk van de beleidsimplementatie in toenemende mate om een meer dynamische invulling in relatie tot veel individuen. Een streven wat nog versterkt wordt als wij daarbij betrekken de toenemende diversiteit in aspiratieniveau, capaciteiten en mogelijkheden van clienten uit doelgroepen van beleid. “Relevante” problemen hebben een steeds grotere kans voor het beleid minder eenduidig te vatten te zijn. Persoonskenmerken en houdingsaspecten komen daarbij ook vaak in een diversere relatie tot elkaar te staan.

     In de actuele discussie staan de reele mate van succes en beperkte mate van effectiviteit en doelmatigheid vaak tegenover meer sociale elementen in de discussie. In toenemende verscheidenheid hebben zij ook een duurzame invloed op het bepalen van de legitimiteit en rechtmatigheid van het geformuleerde beleid. In hoeverre heeft iedereen recht op een fatsoenlijk bestaan? Knikken in afzonderlijke levenslopen spelen bij  het bepalen van de mogelijkherden tot herstel  van opgelopen schrammetjes een geheel eigenstandige rol. Zij zijn echter minder eenduidig te kenschetsen voor een staand beleid.

    Het duurzaam behoren tot de onderklasse komt daarbij wel in toenemende mate in een andere relatie te staan tot het optreden van de kans om tijdelijk te gaan behoren tot de onderkant, c.q. de rafelrand van de samenleving. Dit ook mede vanwege het optreden van het feit dat daarnaast de poortwachtersfunctie in toenemende mate een rol van betekenis speelt bij het verkleinen van het aantal uitkeringen. Niet iedereen weet zich echter duurzaam te ontworstelen aan een bestaan als bijstandsgerechtigde. Terugval in de bijstandsuitkering blijft ich onder grote groepen voordoen. Een optredend beperkt effect geldt voor grote groepen additioneel werkenden. Het bekleden van de additionele arbeidsplaats blijft bij hen de uitwerking houden van een dead-end job. Sectorale drempels en knelpunten en drempels en knelpunten voortkomend uit de plaats binnen een bepaalde sociaal zekerheidgroep kunnen daarbij in een andere relatie komen te staan tot de optredende maatschappelijke  ontwikkelingen.

   Al met al komen daarnaast sociaal zekerheids- en arbeidsrechtelijke verbanden voor grote groepen ook in een andere meer diversere relatie te staan tot de optredende maatschappelijke ontwikkelingen. Zorgdragend voor het in grotere verscheidenheid tot stand komen van drempels en knelpunten. Knelpunten en drempels, die voor een groot deel verborgen blijven in de black-box van de (gemeentelijke) reintegratie. Daarbij voor velen ook lang niet altijd leidend al dan niet op termijn  tot een evenwichtige verdeling van rechten en plichten. Rechten en plichten, waarbij in toenemende mate  centraal staat het principe voor wat hoort wat. Standaarddienstverlening blijft men daarnaast aanbieden in overheersende mate, daar waar maatwerk steeds meer gevraagt wordt. Dienstverlening, die men daarnaast primair blijft definieren vanuit het brede belang van een veelheid aan betrokken organisaties en instellingen.

   Het aantal bijstandsuitkeringen neemt dan misschien wel af, maar dit wil nog niet zeggen dat het in vergelijkbare mate leidt tot een duurzaam verblijf op de arbeidsmarkt. Het bekleden van een addionele arbeidsplaats blijft voor velen ook niet werken als de beoogde opzet om door te stromen naar de regulee arbeidsmarkt. Verder wordt de klantenstroom richting gemeenten van een andere samenstelling vanwege een toenemend beroep op de werkloosheidsuitkeringen en een toestroom van herkeurde gedeeltelijk arbeidsongeschikten; dit alles zowel in kwantitatieve- als kwalitatieve zin (R.W.I., 2005, blz. 6.). Daarmee de dreiging met zich meebrengend dat zij, die achter in de rij staan achter in de rij blijven staan (Kloosterman, R., 1987). Dit echter ook in een tijdsperiode van sterker dan voorheen optredende maatschappelijke veranderingen.

    Maatschappelijke veranderingen, die ook een naar aspiratieniveau, capaciteiten en mogelijkheden breder samengestelde groep kwetsbaar heeft gemaakt. Het optreden van maatschappelijke tweedeling en sociaal isolement krijgen daarmee gedeeltelijk een andere betekenis voor de vormgeving aan het beleid. Naast het voortbestaan van de blijvende probleemgroepen aan de onderkant van de arbeidsmarkt (Beer, P.de, 1996) is het individuele risico immers groter geworden. Persoonskenmerken dienen we daarbij te onderscheiden van houdingsaspecten (Engbersen, G., Kroft, H.P.A.,  Schuyt, K. en Waarden, F. van, 1989 en Engbersen, G, Schuyt, K., Timmer, J. en Waarden, F van, 1993 en 2006). Beide- persoonskenmerken en houidingsaspecten- hebben een geheel zelfstandige invloed op het bepalen van de mate van succes bij het (her)intreden op de arbeidsmarkt. Van een groei van de onderklasse (Beer, P.de, 2006) is dan wel geen sprake, maar wel krijgt deze in toenemende mate een kleurtje. De veranderende al dan niet duurzame verhouding tussen onderklassevorming en working poor wordt daarnaast van toenenend belang. Tijdelijke overgangen tussen beiden doen zich ook in toenemende mate voor.

Een oplossing?

   Het als oplossing van de problemen dan ook enkel centraal stellen van een beperkte administratieve ladderbenadering kan dan ook gauw in zijn tegendeel omslaan. En leiden tot meer eigentijdse vormen van verdringing en afroming van doelgroepen van beleid. Administratieve sociaal zekerheidsgroepen met een van elkaar verschillende positie richting afzonderlijke werkgever blijven in het beleid om voorrang  strijden. En dit alles leidend tot een andere samenstelling van de onderkant van de arbeidsmarkt. En dit ook in relatie tot de al dan niet duurzame samenstelling van de onderklasse. Working poor en onderklasse vragen om een ander evenwicht tot elkaar. En indicatiestelling om een meer diverse dynamische invulling vraagt. En een brede kennis van een in toenemende mate divers bestand wordt daarmee ook van toenemend belang. De oplossing van de problemen zal daarmee in toenemende mate in grote verscheidenheid tot stand dienen te komen.

   De doelstelling in het actuele beleid om op termijn voor grote groepen als doelstelling centraal te stellen het bereiken van de reguliere arbeidsmarkt zal men voor grote groepen clienten in (op termijn) zeer divers te behalen doelstellingen van beleid dienen te formuleren; dit ook vanwege een  onder een groep vaak in belangrijke mate levende grote intensiteit aan vaak meervoudige problemen. En  dit ook met een divers aan te brengen onderscheid tussen korte termijn- en lange termijn perspectief. En daarnaast het bestaan van grote groepen gedeeltelijk arbeidsongeschikten, die formeel dan wel weer in staat worden geacht op te werken, maar uiteindelijk voor velen uitdraiid op een bijstandsuitkering. Bij velen van hen immers op termijn resulterend na een periode van afschatting uiteindelijk in een bijstandsuitkering.

    Het effect van veel vaak ook richting individu afzonderlijk ingezette maatregelen blijft ook nu vaak beperkt van omvang, waarbij een effectmeting  ook nu nog steeds vaak enkel gericht blijft op het in beeld brengen van de op de korte termijn optredende veranderingen met betrekking tot een aantal standaard indelingsfactoren. Met name blijft de mate van inzicht beperkt op het geheel van de tijdens een integraal traject optredende bevorderende- en belemmerende factoren.

    Sprake is er verder van verschuivende rechten en plichten voor clienten en een steeds terugkerend pleidooi  voor het meer vraaggericht werken van het  vorm te geven reintegratiebeleid. Dit terwijl met  name bij grote groepen  langdurig werklozen er vaak sprake is van een grote “afstand” tot de arbeidsmarkt en een in sterke mate optredend sociaal isolement. Een sterk sociaal isolement wat ook in steeds sterkere mate optreedt onder groepen werkenden. Uitkeringsland krijgt daarmee een gedeeltelijk andere invulling. En een grotere verscheidenheid van (potentiele) clienten naar vermogens, aspiratieniveau en capaciteiten. Een dreigende marginalisering van de arbeidsmarkt krijgt daarmee voor grote groepen ook een andere invulling. Dit ook gekoppeld aan een vaak beperkte opgaande mobiliteit op de arbeidsmarkt vanuit de uitkeringssituatie.

    Daarmee ook in toenemende mate in grotere verscheidenheid een druk leggend op het concrete effect en de bereikte mate van doelmatigheid van het geformuleerde (gemeentelijke) reintegratiebeleid; dit op niveau van formele administratieve doelgroepen van beleid, maar nog meer op het niveau van een individuele client. Houdingsaspecten van clienten en persoonskenmerken- van elkaar te onderscheiden- blijven in belangrijke mate bepalend op individueel niveau voor de behaalde mate van succes. 

    Het concrete effect van het geformuleerde beleid wat op individueel niveau en op het niveau van de formele staande doelgroepen van beleid ook in toenemende mate wordt beinvloed door het optreden van sociaal isolement onder een naar aspiratieniveau, capaciteiten en mogerlijkheden diverser samengestelde groep (Machielse, A., 2003, Hortulanus, R., Machielse, A  en Meeuwensen, L, 2003, Machielse, A., 2006). Dit laatste op termijn leidend tot een diverser spanningsveld  tussen concreet aangeboden  (aanvullende) hulpbronnen en een divers te definieren sociale omgeving van clienten. En de daar reeds aanwezige hulpbronnen van clienten.

     Sociale competenties van individuele clienten o.a. in de vorm van (verricht) vrijwilligerswerk gaan daarmee in toenemende mate  in t.a.v. groepen clienten in grotere verscheidenheid een rol van betekenis spelen bij het bepalen van de mate van succes van het geformuleerde beleid. Het vat krijgen op houdingsaspecten van afzonderlijke clienten krijgt daarmee een belangrijkere rol.

   Het bepalen van de mate van inzicht in het antwoord op de vraag of een individuele client op het juiste traject zit ( Baat, A., Hekelaar, A. en Zwinkels, A., 2006) en de beste al dan niet de vereiste basisdienstverlening (Berkel, R. en Hekelaar, A., 2005) krijgt blijft beperkt. Met name blijft de mate van inzicht beperkt in het geheel van de op individueel niveau optredende drempels en knelpunten.  En dit alles in een tijdsperiode dat het cement van de samenleving ook een andere samenstelling krijgt. En daarmee het evenwicht tussen sociaal beleid en sociale cohesie. Toenemende verschillen in grote verscheidenheid  zullen daarbij ook op gaan treden tussen  de politieke- en maatschappelijke legitimering van het beleid. Met wie zijn wij voor hoelang (nog) solidair?

   Grenzen aan administratieve- en individuele keuzes komen daarmee voor velen in een ander evenwicht met elkaar te staan. Het diverse belang van een individu blijft vaak enkel op de achtergrond aanwezig bij de beleidsvorming, - uitvoering en -evaluatie/ monitoring. Of blijft slechts betrekking houden op een onderdeel van de individuele problematiek. Aandacht voor het geheel van de mogelijk tijdens een integraal traject optredende drempels en knelpunten blijft ook nu nog steeds beperkt van omvang en karakter.

   En daarmee ook de mate van inzicht op het effect van de vaak integraal benodigde dienstverlening. En de daarbij (mogelijk) optredende al dan niet duurzame veranderingen in de identiteit en houding van clienten. Ergo de mate van inzicht in het geheel van de optredende veranderingen bij clienten als gevolg van de toepassing richting individu van een bepaalde vorm van gemeentelijke dienstverlening bij het proces van toepassing van gesubsidieerde arbeid als (mogelijke) voorbode op de weg naar  het bekleden van reguliere arbeid blijft beperkt van omvang en karakter.  

Hervorming van het beleid.

    Hervorming van het activeringsbeleid was dan misschien nodig, maar dit hoeft niet te leiden ook voor de nabije toekomst te leiden tot een blijvende dominantie in het denken en handelen enkel voor de belangen van de zittende klasse, het enkel blijven denken in termen van beperkte admnistratieve doelgroepen van beleid en daarmee vaak een belangrijke onderwaardering voor de belangen van (afzonderlijke) clienten. 

   Formeel staat in de beleidsvorming in toenemende mate voorop het vergroten en versterken van de keuzevrijheid van clienten bij reintegratietrajecten. In de praktijk blijft het effect van het op reintegratie op de arbeidsmarkt gerichte beleid echter beperkt. In belangrijke mate blijft overheersen het institutionele- en organisatorische belang  van een veelheid aan “betrokken” uitvoeringsorganisaties en daarbij aansluitende administratieve maatregelen. Verschillen in de mate van optredende effectiviteit tussen WW-ers, arbeidsgehandicapten ( Aarts, L., Hauten, M van den en Visscher, K, 2004 en 2005) vallend onder de verantwoordelijkheid van een sectoraal regime en bijstandgerechtigden primair vallend onder het gemeentelijk regime van de WWB treden daarbij ook in belangrijke mate op. Conflicten en blijvende belemmeringen om door te stromen treden hierbij vaak manifest op.

    Manifest zijn de optredende verschillen qua doelstelling en mate van bereikte effectiviteit tussen het werkgeversgerelateerde reintegratiebeleid en de mate van effectiviteit van het gemeentelijke activeringsbeleid. Dit naast een veelheid aan optredende verschillen tussen maatschappelijke groepen en individuen met een veelheid aan van elkaar verschillende aspiratieniveau, capaciteiten en mogelijkheden. 

    De communicerende vaten van uitkering en werk en de daarbij aansluitende administratieve vertaling van rechten en plichten zullen daarbij ook op individueel niveau vaak een ander spanningsveld laten zien, waarbij een grote verscheidenheid in individuele levenslopen en carrierepaden en de als gevolg daarvan optredende op- en neergaande bewegingen in loopbanen in toenemende mate in grote verscheidenheid voor zullen komen. Een strikt in generieke beperkte administratieve termen gegoten vertaling van individuele rechten en plichten zal daarbij voor een groot gedeelte aan zijn doel voorbij schieten.

    Vele bijstandsgerechtigden weten echter ook niet op de wat langere termijn duurzaam te ontsnappen aan het bijstandsbestaan en keren na verloop weer terug naar het bestaan als bijstandgerechtigde (Graaf-Zijl, M de, Groot, I. en Hop, J.P., 2006). Daarnaast heeft voor velen het bekleden van een additionele arbeidsplaats niet het beoogde duurzame effect om door te stromen naar de reguliere arbeidsmarkt. Het bekleden van een additionele arbeidsplaats betekent voor hen a dead-end job. En grote groepen keren op termijn terug in de bijstand. Daarnaast vele arbeidsongeschikten, die als gevolg van de herkeuring weer in staat worden geacht om betaalde arbeid te verrichten. En velen als gevolg daarvan  op termijn in de bijstand belanden.

    De mate van  sociale in- en uitsluiting komt daarbij voor velen op een andere aard en wijze en met een in de tijd gezien vaak wisselende intensiteit tot stand. Daarmee ook leidend tot een andere duurzame samenstelling van onderklasse en working poor. Persoonskenmerken bij het bepalen van de mate van succes spelen daarbij een rol van toenemende betekenis ( Graaf-Zijl, M. de, Groot, I. en Hop, J.P., 2006). Deze laatste te onderscheiden  van richting arbeidsmarkt aan te nemen houdingsaspecten.

   En dit in een periode van toenemende individualisering en het verworden tot een risicosamenleving voor een naar aspiratieniveau, capaciteiten en mogelijkheden breed samengestelde (doel)groep. De bij een individu concreet optredende mate van risicospreiding, die ook in toenemende mate bepaald wordt door de breedte en sterkte van individueel ondersteunende netwerken van clienten. Bij een gedeelte van de doelgroep met name de doelgroep van het sociaal activeringsbeleid zijn deze netwerken echter  vaak  sterk naar binnen gekeerd en verder ook beperkt van omvang en karakter (Pas, I. van der en Serail, S., 1999). Sociale netwerken, die in grote mate bepalend blijven of aangeboden hulpbronnen een individu bereiken.  

Sociaal isolement.

    Sociaal isolement, die echter optreedt bij een breder samengestelde (doel)groep van beleid. En ook vele werkenden treft (Machielse, A., 2005). In toenemende mate wordt het belang groter om in grote verscheidenheid de vraag te stellen in hoeverre men als individu in staat is om bruggen te slaan tussen diverse sociale netwerken (Putnam, R., 2000). Administratieve rechten en plichten kunnen daarbij in grote verscheidenheid zorg blijven dragen voor het op blijven treden van (informele drempels en knelpunten. Daarmee ook vaak vragend om een richting individu ander evenwicht tussen administratief beleid en sociaal beleid. 

    De daarbij optredende op individueel en generiek administratief niveau al dan niet duurzame veranderende verhouding tussen een al dan niet duurzame onderklasse en een breed samengestelde groep van working poor wordt mede daarmee ook vaak een andere. En daarmee wordt de effectiviteit en de doelmatigheid van het reintegratiebeleid in toenemende mate bepaald door het leveren van individueel maatwerk. De relatie tussen ondersteuning door de (semi)overheid e.a., de vereiste mate van zelfredzaamheid en de optredende mate van zelfredzaamheid wordt daarmee vaak een andere. Ook in puur beperkte administratieve termen wordt het daarmee van toenemend belang om in grote verscheidenheid richting individu te bepalen wel beleid rechtvaardig, legitiem en fair is.

    Strikt arbeidsmarktrelevante- en aanverwante maatschappelijke problemen van afzonderlijke clienten zullen in toenemende mate van elkaar gaan verschillen vanwege de toenemende individualisering en risicospreiding. Een bevredigende dienstverlening (WRR, 2004) vraagt daarmee in toenemende mate om het leveren van maatwerk. Het belang van een strikt groepsgerichte benadering komt daarmee in een ander spanningsveld te staan tot het centraal stellen van een individu met zijn/ haar diversiteit aan aspiraties, capaciteiten en mogelijkheden.

    Het belang van het in de beleidsvorming- en – uitvoering betrekken van persoonskenmerken (Graaf-Zijl, M de, Groot, I. en Hop, J.P, 2006) komt daarbij ook in een andere relatie te staan tot het strikt voorop blijven stellen van criteria van administratieve doelgroepen van beleid. Dit verder nog ondersteunt door het toenemende belang van het meenemen van houdingsaspecten. En dit voor een bredere groep  dan enkel de groep van  langdurig werklozen (Engbersen, G., Kroft, H.P.A., Schuyt, K. en Waarden, F van, 1989 en Engbersen, G., Schuyt, K. Timmer,J. en Waarden, F., 1993 en 2006).

    Ook onder de groep van additioneel werkenden kan de (op termijn) aan te nemen houding richting de reguliere arbeidsmarkt, het belang van de toepassing in individuele gevallen van een bepaalde maatregel in sterke mate van elkaar verschillen al dan niet op termijn sterk van elkaar (blijven) verschillen (Libregts, I., 1992, Koopal, J.A., 1994, Arichi, M. en Meerman, M., 2003). In grotere verscheidenheid heeft het daarmee zijn invloed op beperkende- en belemmerende factoren om te komen tot de beoogde doorstroom.

    Dit vanwege een zich verder in belangrijke mate individualiserende samenleving met verschuivende rechten en plichten. Rechten en plichten van vraag en aanbodskant van de arbeidsmarkt, die ook op individueel niveau in toenemende mate in een andere verhouding tot elkaar komen te staan. Daarmee de oorzaak vormend tot andere verhoudingen tussen de noodzaak van een groepsgebonden benadering en het leveren van  individueel maatwerk.

   Daarnaast dus het ontstaan van sociale verbanden, die  op een andere aard en wijze en bij velen ook minder duurzaam tot stand komen, maar wel in belangrijke mate werk gerelateerd blijven. Persoonskenmerken en houdingsaspecten krijgen daarbij een ander belang bij de vormgeving aan het beleid. En daarmee bij de bepaling van de mate van effectiviteit en doelmatigheid. De vorm en inhoud van bij veel individuen optredende in- en uitsluiting komt daarmee voor grote divers samengestelde groepen  in een andere relatie tot elkaar te staan.

   Tijdelijkheid bij de vormgeving van de concreet optredende vorm en intensiteit van in- en uitsluiting speelt daarbij  ook in toenemende mate  een rol van betekenis voor een naar aspiratieniveau, capaciteiten en mogelijkheden breder samengestelde groep. Men participeert op de arbeidsmarkt, maar de mogelijkheden om door te stromen  blijven beperkt. En voor velen treedt en een al dan niet tijdelijke terugval in de uitkering op. Statische vormgeving aan rechten en plichten  komt in een andere relatie te staan tot een meer dynamische in de tijd gezien ook een in meer toenemende verscheidenheid tot stand komende invulling. De kwaliteit en kwantiteit van de individuele participatie komt daarmee voor velen in een andere relatie te staan tot de beoogde vorm van burgerschap. Participatie en burgerschap komen daarmee  in een andere relatie tot elkaar te staan.  

   De al dan niet duurzame verhouding tussen in- en outsiders krijgt daarmee  gedeeltelijk andere en  voor velen  een al dan niet  tijdelijk  andere invulling van echten en plichten. En daarnaast voor  velen  ook een andere  minder duurzame  invulling, daar men te wenig in staat is en blijft om te komen tot concretisering van deze meer dynamische rechten en plichten. Een meer diverse bestudering van de hierbij optredende van al dan niet duurzame  armode en sociale uitsluiting vraagt daarmee in belangrijke mate ook nu  een meer dynamische  invulling (Engbersen, G. en Snel, E., 1996).

    Rekening dient daarbij in toenemende mate gehouden te worden met een bij een grote diversiteit aan individuen ook meer op en neergaande beweging in individuele levenslopen en carrierelijnen. Hetgeen echter nog steeds te weinig gebeurd. Een meer statische op de korte termijn gerichte administratieve standaard bestudering/ monitoring van de optredende drempels en knelpunten bij vormen van in- en uitsluiting aan de hand van  beperkte aantallen standaard indelingscriteria in doelgroepen van  beperkt administratief beleid blijft overheersen.

    En heeft daarmee zijn brede maatschappelijke gevolgen vanwege een verder optredende langs diverse wegen totstand komende toenemende segregatie binnen onze samenleving (Latten, J., 2005). Segregatie in de vorm van een beperkte woon-, werk en leefomgeving bij clienten, die ook beperkend kan werken op het komen tot doorstroom. Men blijft zich als additioneel werkende orienteren op een beperkte sociale omgeving, werkkring en/ of arbeidsomgeving (Koopal, J.A., 2004).

   Een beperkte sociale omgeving van clienten, die vaak extra belemmerend kan werken om te komen tot doorstroom naar de reguliere arbeidsmarkt. Een beperkte- en daarnaast ook in belangrijke mate naar binnen gekeerde sociale omgeving, die met name bij grote groepen langdurig werklozen belemmerend werkt om te komen tot de vormgeving  aan een adequaat traject. Succes moet men  met name bij de groep van langdurig werklozen aan het begin van een vaak langdurig traject definieren in termen van het verbreden van de sociale netwerken (Pas, I. van de en Serail, S, 1999).  

Zichtbare problemen?

   Veel van belang zijnde gegevens bij het bepalen van de drempels en knelpunten om te komen tot doorstroom blijven  in de monitoring en opdracht evaluatie verborgen in de black box van de (gemeentelijke) reintegratie (Koopal, J.A., 2004). Maatschappelijke werkelijkheid vraagt daarmee vaak om een andere samenhang met administratieve recht- en regelgeving. Dit om op een adequate  aard en wijze te kunnen bepalen of er ondanks of dankzij is gekomen tot doorstroom.

     Uitstroom naar regulier werk voor naar aspiratieniveau, capaciteiten en mogelijkheden al dan niet op termijn een breder samengestelde groep van bijstandsgerechtigden staat verder centraal in het kader van de WWB. Een groep, die daarnaast gekenmerkt wordt door het voorkomen van een grote verscheidenheid qua intensiteit en aard en omvang van brede maatschappelijke problemen. Dit ook in samenhang met de al dan niet duurzaam aan te nemen houding richting de arbeidsmarkt.

    Tussen het al dan niet duurzaam verlaten van de status van bijstandsgerechtigde en het min of meer permanent betreden van de reguliere arbeidsmarkt blijft voor velen een in grote verscheidenheid tot stand komend spanningsveld bestaan. Grote groepen vallen al dan niet na lange  duur ook terug in de uitkeringssituatie (Graaf-Zijl, M de, Groot, I. en Hop, J.P., 2006). Daarnaast krijgt voor grote groepen het bekleden van een additionele baan een min of meer niet beoogde definitieve status. In samenhang met elkaar ook een druk leggend op het komen tot uitstroom richting de (reguliere) arbeidsmarkt. Een uitstroom, die daarnaast bemoeilijkt kan worden door buiten de afzonderlijke client optredende brede maatschappelijke informele- en formele drempels. Daarmee al met al aanleiding gevend tot het optreden van andere vormen van legitimering en rechtvaardiging van het beleid.

    En daar waar doorstroom formeel de doelstelling is kan de aard van de werkplek/ van de werkzaamheden en het individuele aspiratieniveau, capaciteiten en mogelijkheden in toenemende verscheidenheid tot (in)formele drempels en knelpunten gaan leiden. Persoonskenmerken (Graaf-, Zijl, M. de, Groot, I. en Hop, J.P., 2006) en de al dan niet duurzaam aan te nemen houding m.b.t. het arbeidsmarktgebeuren van afzonderlijke clienten zijn daarbij in toenemende mate en verscheidenheid bepalend voor een breder samengestelde (doel)groep.

   Het in het actuele beleid steeds meer centraal stellen van de poortwachtersfunctie zal tot andere deelverhoudingen leiden in de onderverdeling van de door langdurig werklozen aan te nemen houding (Engbersen, G., Kroft, H.P.A., Schuyt, K. en Waarden, F., 1989) richting het  t.z.t. evt. toetreden tot de arbeidsmarkt. Het doorstromen van uitkeringsgerechtigden naar de reguliere arbeidsmarkt zal verder beperkt blijven. En een instroom van werklozen  naar betaalde arbeid, die veel te wensen over laat (Leeuwe, P., Scheele, D., Theeuwes, J. en Woortman, T., 2006, blz.1.).

    Mede daardoor blijven velen daarbij dan ook om een toenmende diversiteit aan redenen ergens steken in de zeer divers vorm te geven trajecten van selectie, (aanvullende) scholing, werkervaring en zo nodig uitplaatsing richting de reguliere arbeidsmarkt. Daarnaast blijft er sprake van het feit dat grote groepen bijstandsgerechtigden na verloop van tijd weer terug keren in de uitkeringssituatie. Dynamisering van het gemeentelijk activeringsbeleid krijgt voor velen een beperkte invulling, daar uitstroom van clienten naar de regulier arbeidsmarkt beperkt blijft. Een uitstroom, die voor een gedeelte steeds moeilijker te vatten zal zijn enkel in statistische categorieen. Daarmee een optredende tweedeling en daarmee het optreden van een 2/3 maatschappij (Dahrendorf, R, 1992) in een ander perspectief plaatsend (WRR, 1996).

    Transities aan de onderkant van de arbeidsmarkt richting de reguliere arbeidsmarkt blijven tenslotte beperkt van omvang en karakter voor de naar aspiratieniveau, capaciteiten en mogelijkheden divers samengestelde groep van bijstandsgerechtigden (Graaf-Zijl, M de, Groot, I. en Hop, J.P., 2006 en Leeuwe, P. van, Scheele, D., Theeuwes, J., Woortman, T., 2006).

   Daarnaast blijft de  mate van inzicht in het geheel  van de zich mogelijk tijdens het geheel van een traject zich voordoende bevorderende (in)formele drempels en knelpunten en bevorderende- en belemmerende factoren beperkt van omvang en karakter. De noodzaak en het belang om te komen tot juist een meer divers inzicht in deze drempels en knelpunten werd al benadrukt in het Sociaal- en cultureel Rapport 1992 (SCP, 1992, blz.95.). Dit echter zonder veel concrete gevolgen. Al dan niet duurzame identiteitsvorming als gevolg van de diverse plaats  binnen het stelsel van sociale zekerheid en/ of op de (additionele) arbeidsmarkt gaat in toenemende verscheidenheid een rol van betekenis spelen bij het al dan niet duurzaam bepalen van de maatschappelijke rol, die men speelt.  

Enkel standaarddienstverlening?

    Standaarddienstverlening in beperkt administratieve termen gegoten blijft domineren, daar waar een meer diverse ook in toenemende mate meer individuele invulling steeds meer gewenst is. Dit vanwege een naar aspiratieniveau, capaciteiten en mogelijkheden al dan niet op de langere termijn toenemende diversiteit in de doelgroep van beleid. En onder handhaving van het voortbestaan van de bekende probleemgroepen aan de onderkant van de arbeidsmarkt (Beer, P.de, 1996) en de rafelrand van de samenleving. En vanwege het feit dat in het kader van de WWB gestreeft wordt naar individuele zelfredzaamheid. Transities op de arbeidsmarkt brengen andere formele- en informele drempels met zich mee in het actuele tijdsgewricht. Publieke dienstverlening vraagt alleen al daarmee voor een gedeelte echter om een geheel andere invulling. 

   Bewijzen van een goede dienstverlening dienen in toenemende mate geleverd te worden in toenemende verscheidenheid. En waar de positie van een individu in toenemende mate een bepalende rol speelt. En dus op een andere aard en wijze geleverd te worden voor een vaak diverser samengestelde doelgroep (WRR, 2004). De groep van langdurig werklozen, de ook aan het einde van de jaren tachtig naar “relevante” achtergrondkenmerken, opleidingniveau en reeds opgedane werkervaring een zeer diverse samenstelling kende. Zij bestond toe uit 1. “modale” langdurig werklozen, 2. jonge, laag opgeleide langdurig werklozen, 3.  hoog opgeleide  langdurig werklozen en 4. “marginale” langdurig werklozen (OSA, 1988, blz.53.). Groepen, die wij ook nu in belangrijke mate terug vinden onder de doelgroep van het (gemeentelijk) reintegratiebeleid.

    Een materieel “benodigde” dienstverlening, die verder op dit moment ook lang niet altijd aansluit op de formeel aangeboden dienstverlening. Dit voor een naar aspiratieniveau, capaciteiten en mogelijkheden divers samengestelde groep. En waardoor er voor velen gaten gaan vallen in een traject leidend naar de formeel beoogde uitstroom richting de reguliere arbeidsmarkt. Voor velen blijft het bekleden van een additionele arbeidsplaats betekenen dat men op termijn niet tot volledige ontplooiing kan komen van in potentie aanwezige capaciteiten, aspiraties en mogelijkheden. Dit omdat tal van formele- en  informele blokkades blijven bestaan bij het komen tot doorstroom. Blokkades, die kunnen liggen in formele recht- en regelgeving en/ of in de bredere maatschappelijke problemen en ontwikkelingen.

    Duurzame houding en al dan niet duurzaam aspiratieniveau van afzonderlijke individuen spelen in toenemende mate een rol bij het bepalen van de mate van effectiviteit en doelmatigheid van het geformuleerde beleid. Zij worden echter nog steeds te weinig meegenomen in het op dit terrein plaatsvindende (evaluatie)onderzoek. Daarmee blijven zij voor een groot deel verborgen in de black-box van de (gemeentelijke) reïntegratie.

   Een samenleving waar verder de verhouding tussen het voortbestaan van een reeds bestaande- en blijvende onderklasse, maar het daarnaast ontstaan- gezien het toenemende risico voor een naar (uiteindelijk) aspiratieniveau, capaciteiten en mogelijkheden diverser samengestelde (doel)groep- van een daarvan afwijkende onderklasse van toenemend belang wordt om in de beleidsvorming te betrekken.

    Dynamisering van de arbeidsmarkt en het meer vraaggericht inrichten van het (gemeentelijke) activeringsbeleid krijgt daarbij een andere betekenis. Dit in combinatie met persoonkenmerken en de aard  van de individueel “benodigde” dienstverlening, die een rol van toenemende belang gaan vervullen. Maatwerk wordt in toenemende mate gevraagt, maar krijgt nog te weinig de benodigde individuele invulling. Ook hier blijven nog steeds al te vaak beperkte administratieve institutionele- en organisatorische belangen overheersen. Transities aan met name de onderkant vinden op dit moment nog te weinig plaats (Scheele, D., Leeuwe, P van, Theeuwes, J. en Woortman, T., 2006). Dit terwijl ook deze (doel)groep voor een gedeelte diverser van samenstelling is geworden naar aspiratieniveau, capaciteiten en mogelijkheden al dan niet op de lange termijn. 

   Van een zekere stijging  in de omvang  van de onderklasse is dan wellicht  geen sprake (Beer, P.de, 2006), maar de verhouding  tussen de omvang en de samenstelling van de onderklasse en de groep van working poor wordt wel duurzxaam een andere, vanwege de sterk veranderende maatschappelijke verhoudingen. Wijzigingen  in doelgroepen van beleid komen  dan ook niet enkel tot stand vanwege institutionele-  en organisatorische veranderingen, maar in belangrijke mate mede door brede maatschappelijke veranderingen.

    Daarmee het  belang benadrukkend van het meer in de beschouwing te betrekken het in toenemende mate in een diversere verhouding tot elkaar tot stand komende spanningsveld tussen beiden met een individu als intermediair daartussen in. En in de beleidsvorming dus steeds minder uit te gaan  van enkel  generieke  administratieve benaderingen. Handelingsperspectieven van individuen vragen in toenemende mate om een andere invulling.

    Houdingsaspecten (Engbersen, G., Kroft, H.P.A., Schuyt, K. en Waarden, F, 1989) en de sociale omgeving van (potentiele) clienten van een naar aspiratieniveau, capaciteiten en mogelijkheden diverser samengestelde (doel)groep van beleid worden van toenemend belang bij de beleidsvorming. Dit veroorzaakt door een diverser loopbaanperspectief. Een “bevredigend” beloningsniveau komt dan ook vaak in een andere relatie te staan  tot aspiratieniveau en houding van individuele cliënten.  

Hervorming beleid voldoende?

    Bij de actuele vormgeving aan het gemeentelijk activeringsbeleid blijven velen al dan niet langdurig “gevangen” in een vorm van additionele arbeid; dit terwijl zij meer kunnen en willen (Libregts, I., 1992 en Koopal, J.A., 1994). Beleidsvorming enkel op basis van statistische gemiddelden zal voor een gedeelte haar waarde  verliezen. De kans wordt immers groter voor een diverser samengestelde groep van individuen dat men daar vanaf zal wijken (WRR, 1996).

   Kortom een onderklasse in toenemende mate in delen en daarmee voor een gedeelte minder eenduidig te benoemen naar achtergrondkenmerken. Individuele levensloopkenmerken worden daarbij van toenemend belang. En dit gepaard aan een onderklasse, die in toenemende mate een kleurtje krijgt. Een onderklasse, die daarnaast een tweeledig karakter blijft dragen, maar waar het begrip twee/ derde maatschappij (Dahrendorf, R., 1992) een andere betekenis krijgt. Verder aan de ene kant vergrijzend en aan de andere kant een breed samengestelde groep van min of meer problematische jongeren.

    Effectiviteitsmeting en het bepalen van de doelmatigheid van het gevoerde beleid blijft ook nu nog steeds beperkt van omvang en karakter. Zij blijft vaak enkel gericht op het in beeld brengen aan de hand van beperkte aantallen standaard indelingscriteria in doelgroepen van administratief beleid  van beperkte aantallen op de korte termijn onder een doelgroep van administratief beleid optredende veranderingen. Dit qua kwantitatieve samenstelling van de onderhavige doelgroep van beleid.                 

    De duurzaamheid van het als individu behoren tot de onderkant van de arbeidsmarkt krijgt hierbij voor beperkte groepen een andere betekenis. Voor grote groepen blijft er echter sprake van langdurige trajecten. Al met al vragend om een andere verhouding tussen een vraag- en aanbodgerichte benadering van het arbeidsmarktbeleid. En om een daarbij aansluitend ander evenwicht tussen administratieve- en maatschappelijke solidariteit. Daarmee ook vaak leidend tot het centraal stellen van andere vormen van rechtvaardiging en legitimering van beleid (Rawls, J., 2006). Eenduidigheid in deze valt ook steeds minder te verwachten.

    Voor beperkte groepen van working poor komt het tijdelijk behoren tot de onderklasse ook meer centraal te staan. Daarmee ook onder druk zettend de (duurzame) verhouding tussen de aard, omvang en duur van de “benodigde” ondersteuning door de (semi)overheid e.a. en het daarmee komen tot zelfredzaamheid. Tussen de noodzaak van een meer vraaggerichte benadering en de nog steeds in grote mate dominerende aanbodgerichte benadering, waarbij de belangen van instellingen en organisaties voorop blijven staan blijft vaak een grote afstand bestaan.  Zelfredzaamheid, waarbij het komen tot een min of meer definitieve identiteit voor grote groepen van groot belang blijft. In de beleidsvorming en uitvoering  ook vaak leidend tot een diverser evenwicht tussen elkaar. Bij grote groepen werkzoekenden blijft verder sprake van de noodzaak van een lang meervoudig- en intensief traject. Is en blijft deze verschuivende identiteit van individuen daarnaast enkel te kenmerken in beperkte administratieve kenmerken of dienen wij uit te gaan  van een andere indeling?

   Een verschuivend antwoord in toenemende mate ook vorm te geven in meer dynamische in de loop der tijd richting individu ook vaak verschuivende termen. Toch blijft er richting individu in belangrijke mate sprake van het vormgeven aan beleid in beperkte statistische- en statische termen. Een constatering, die zich ook uitstrekt richting de beleidsevaluatie- en – monitoring.

    Bij vele werkzoekenden blijft sprake van de noodzaak van een langdurig traject alvorens de reguliere arbeidsmarkt te kunnen bereiken. Daarnaast blijven velen al dan niet langdurig steken in een vorm van additionele arbeid; dit terwijl velen meer kunnen. Het zicht op de diversiteit van het geheel van de tijdens een individueel traject zich voordoende bevorderende- en belemmerende factoren blijft beperkt van omvang en karakter.

  Dit alles vanwege een naar (uiteindelijk) aspiratieniveau, capaciteiten en mogelijkheden diverser samengestelde groep van working poor. Een veranderende samenhang, die mede vanwege de invoering van de WWB, waarbij de poortwachtersfunctie een centrale rol speelt ook anders komt te liggen.

   De samenstelling van het onderste kwart van de arbeidsmarkt (Beer, P.de, 1996) is daarmee duurzaam aan verandering onderhevig.  Zij wordt misschien niet groter, maar de bekende probleemgroepen aan de onderkant van de arbeidsmarkt (Beer, P. de, 1996 en 2006), zoals alleenstaande bijstandsmoeders, laagopgeleide allochtonen, langdurig werklozen en de daarnaast tot de rafelrand van de arbeidsmarkt behorende meer problematische groepen blijven een belangrijk onderdeel vormen, naast een vergroting van het individuele risico.

   Een verhouding tussen beiden de onderklasse en de naar uiteindelijk aspiratieniveau breed samengestelde groep van working poor, die daarnaast onder druk staat daar beiden in toenemende mate een kleurtje krijgen. Een onderklasse, die in haar verdere ontwikkeling een tweezijdig karakter krijgt en aan de ene kant aan het vergrijzen is en aan de andere  kant een grote groep van kansarme jongeren bevat. Zij, die voortijdig het onderwijs verlaten zonder een startkwalificatie. En daarnaast vaak meervoudige in een divers samenhang met elkaar intensieve maatschappelijke problemen. 

     En waar daarmee op een vaak meer specifiekere aard en wijze ook onder druk staat het komen tot een min of meer duurzame verhouding met de reguliere arbeidsmarkt. En daarmee ook de duurzame identiteitsvorming van individuen. Krijgt men een identiteit van een additioneel werkende/ sociale werkvoorziening en/ of blijft men zich richten op het doorstromen richting de reguliere arbeidsmarkt? Grote groepen allochtone jongeren bijv. weten zich verder te emanciperen, maar zij blijven oververtegenwoordigd onder de groep van een jeugdige onderklasse en de groep van working poor.

    En waarbij bij beiden het strikt centraal blijven stellen van een aanbodsgerichte benadering tegenover een vraaggerichte benadering contraproductief zal blijven werken. De poortwachtersfunctie staat dan wel steeds meer centraal bij de vormgeving aan het stelsel van sociale zekerheid, maar duidelijkheid omtrent het verdere perspectief voor een individu blijft vaak ontbreken. In een periode dat met de invoering van de WWB een  gemeente de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de bijstandswet draagt.

   Daarnaast is het individuele risico immers groter geworden voor een naar aspiratieniveau, capaciteiten en (uiteindelijke) mogelijkheden diverser samengestelde (doel)groep. Hetgeen op zich al voldoende is om meer centraal te stellen in de gedachtenvorming het meer diverse spanningsveld tussen individu en (gemeentelijk) activeringsbeleid. Een aandachtspunt wat nog kan worden benadrukt, doordat het beleid voor een divers samengestelde groep van additioneel werkenden centraal stelt het zoveel mogelijk doorstromen naar de reguliere arbeidsmarkt.

   Dit alles binnen een maatschappij waar daarnaast in toenemende mate het principe centraal staat voor wat hoort wat. En niet het om zich verkrijgen van een sociaal zekerheidsuitkering op de voorgrond blijft staan. (Individuele) rechten komen daarmee in een andere verhouding tot plichten te staan.  

Dwang en druk.

   Dwang en druk komen daarmee ook in een diversere samenhang en in een grote verscheidenheid met elkaar in toenemende mate op de voorgrond te staan. De poortwachtersfunctie zal daarnaast echter lang niet altijd in vergelijkbare mate leiden tot een afname van de onderklasse c.q. de toenemende mate leiden tot de toename van de groep van working poor. Voor zekere groepen zal het ook blijven leiden tot een toename van de groep van illegalen en het daarbij op een andere aard en wijze vorm geven aan de samenhang tussen  formele- en informele vormen van sociale zekerheid en maatschappelijke ondersteuning. Sterke- maar ook sterk naar binnen gekeerde sociale netwerken krijgen daarbij een grotere betekenis.

    Al dan niet duurzame identiteitsvorming door individuele clienten met verschuivende evenwichten wordt daarbij dan ook van toenemend belang. Groepsidentiteit komt daarbij in een andere al dan net tijdelijke verhouding te staan tot individuele identiteit. Het plaatst in toenemende verscheidenheid de positie van een individu en zijn/ haar individuele aspiraties, mogelijkheden en capaciteiten en de mogelijke ontwikkeling daarin meer op de voorgrond.

    En daarmee de uiteindelijk met name op de langere termijn meer diverse minder eenduidige wisselwerking met een grote verscheidenheid aan administratieve beleidscategorieen. En de daarbij in toenemende diversiteit optredende drempels en knelpunten. Beleidscategorieen, die men vaak vorm blijft geven vanuit een divers individueel perspectief en slechts betrekking hebbend vanuit een onderdeel van een divers individueel probleem. Tussen een administratieve ketenbenadering en een t.a.v. een individu “bevredigend” vormgegeven aanpak blijft vaak een grote “afstand” bestaan.

    Dit alles met name in de dagelijkse praktijk van de uitvoering ook gezien de toenemende diversiteit binnen het geheel van de doelgroep in een toenemende diversiteit met elkaar. Het inzicht en daarmee vat krijgen op de individuele reacties op werkloosheid en de duur daarvan op individueel niveau daarmee benadrukkend. Wat voor invloed heeft zij in toenemende diversiteit op individuele levenslopen en arbeidsmarktloopbanen?    

    En daarmee ook het belang benadrukkend van het komen tot op individueel niveau goed geschakelde trajecten. Voor het komen tot een  meer divers inzicht in het geheel van de tijdens een traject van werving, selectie, het opdoen van (aanvullende werkervaring in combinatie met het verkrijgen van de “benodigde” aanvullende scholing werd al gepleit in het Sociaal- en cultureel rapport 1992 (SCP, 1992, blz.95), maar bleef in de praktijk tot nu toe beperkt van omvang en karakter.

    Dit in een samenleving waar verder veel sociale verbanden ook van vele werkenden anders komen te liggen. Sociaal isolement treedt daarbij op onder een breder samengestelde (doel)groep van beleid. En waar het creeren van van een stabiele omgeving/ het reeds aanwezig zijn van deze stabiele omgeving in samenhang met het als individu beschikken over voldoende sociaal kapitaal een andere betekenis krijgt. Het compenseren door de (semi)overheid van het mogelijk door individuen in onvoldoende mate beschikken over sociaal kapitaal vraagt in toenemende mate om een zeer diverse invulling. Dit vanwege het optreden van risicoos voor een naar aspiratieniveau, capaciteiten en mogelijkheden breder samengestelde (doel)groep van beleid.

    Daarmee ook verantwoordelijk voor het optreden van drempels en knelpunten in toenemende diversiteit. Het meso – en nog meer het individuele niveau wordt daarmee van toenemende belang  om  in grote verscheidenheid meer vat op te krijgen. Het centraal stellen in andere verhouding t.o.v. elkaar van een vraag- en aanbodgerichte benadering wordt daarbij ook van groter belang. Strikt generieke in beperkte administratieve termen gegoten en op activering van grote naar aspiratieniveau, capaciteiten en mogelijkheden divers samengestelde groepen gerichte benaderingen staan daarbij tegenover blaming the victim.

    Grote divers samengestelde groepen, waarbij de noodzaak  groot blijft om in te zoemen op een vaak beperkte sociale omgeving. En daarmee ook ter discussie stellend het nut en het concrete effect en de mate van doelmatigheid van deze grote op activering van grote groepen gerichte overheidsprogramma's.  

Afwijkingen van het gemiddelde.

    Verder zullen zich in de actuele risicosamenleving in toenemende mate afwijkingen voor blijven doen van de modelburger (Schuyt, K., 1992), die ook nu de basis blijft vormen voor de beleidsvorming.  Tweedeling komt daarmee in een ander perspectief te staan (WRR, 1996). Tijdelijkheid en duurzaamheid al dan niet beoogd van het behoren tot de doelgroep van het gemeentelijk activerend beleid komen daarmee in een andere relatie tot elkaar te staan. Identiteitsvorming en de verandering daarin van afzonderlijke clienten komen daarmee in een andere relatie tot elkaar te staan. En daarmee het betrekken hiervan in de beleidsvorming en evaluatie/ (opdracht)onderzoek.

    Onderklassevorming en het voort blijven bestaan van een divers samengestelde groep van working poor blijft zich voordoen. Dit alles in een tijdperiode dat sociale integratie van grote groepen met name laagopgeleid allochtonen ook van toenemend belang wordt. Een onderklassevorming, die daarmee in toenemende mate een kleurtje krijgt. En daarmee in  toenemende mate tegenover elkaar plaatst  bij het komen tot een oplossing het spanningsveld tussen een generieke economische benadering en een meer toegespitste  sociale benadering.

    Maatregelen blijft men daarnaast richting individu ook vaak gefragmenteerd- en vaak ook maar voor slechts een tijdelijke periode inzetten en richting een naar aspiratieniveau, capaciteiten en mogelijkheden diverser samengestelde doelgroep. En waarbij velen ook vaak op een diverse aard en wijze en mate van intensiteit te maken hebben met meervoudige aanvullende maatschappelijke problemen. Toch blijven velen ondersteuning nodig hebben van de (rijks)overheid e.a. alvorens te komen tot volledige ontplooiing  van hun capaciteiten en mogelijkheden.

    Echter alleen al de toenemende individualisering van sociale risicoos maakt het steeds moeilijker om deze ondersteuning enkel in de vorm van beperkte generieke administratieve termen te gieten. Daarmee in toenemende verscheidenheid het spanningsveld centraal stellend naar waar de mate van effectiviteit en doelmatigheid van het beleid zich zal bevinden. Maatschappelijke sturing ter preventie van een verdere onderklassevorming en het terugdringen van de groep van working poor zal in toenemende verscheidenheid dienen te geschieden. Dit alles onverlet latende dat voor grote groepen een meer generieke beleidsvorming nodig blijft. Het prisonersdilemma van het gemeentelijk activeringsbeleid krijgt een andere invulling.

     Daarmee het voortbestaan ter discussie stellend van duurzame voorzieningen tot nu toe mogelijk gemaakt door structurele middelen. En dit allemaal in een  tijdsperiode dat voor grote groepen de samenhang tussen sociale cohesie en sociaal beleid een  andere wordt. Het duurzame effect van het activeringsbeleid in samenhang met het belang van institutionele netwerken en sociale netwerken van cliënten wordt daarmee een andere.

     Sociale ondersteunende netwerken van individuele cliënten van (gemeentelijk) beleid worden vanwege het voortbestaan van een bredere (doel)groep van beleid in grotere verscheidenheid dan ook van toenemend belang. Enkel statische-, maar daarnaast ook beleidsvorming enkel op basis van statistische gemiddelden  verliest gedeeltelijk haar nut. Dynamisering van individuele rechten en plichten dienen wij verder dus meer in de beschouwing te betrekken en daarom ook beter zichtbaar en daarmee behandelbaar te maken. Daarmee ook het toenemende belang benadrukkend van het in de beleidsevaluatie/ monitoring meer centraal stellen op een diverse aard en wijze de positie van een individu.             

   Institutionele- en daarbij aansluitende administratieve belangen kunnen echter belemmerend  blijven werken op het komen tot volledige ontplooiing van individuele talenten. En daarmee kan zij belemmerend blijven werken bij het komen tot nieuwe colleciviteiten. Collectiviteiten van een ander administratief- en maatschappelijk karakter. In toenemende verscheidenheidheid kunnen zij daarom ook een rem blijven leggen op het vormgeven aan al dan niet nieuwe (collectieve) identiteiten van clienten van gemeentelijk activerend beleid. In hoeverre is en blijft men zich al dan niet tijdelijk beschouwen als additioneel werkende en wordt als zodanig juridisch en materieel gekwalificeerd? Daarmee zijn gevolgen hebbend ook duurzaam voor de legitimering van een individuele positie.  

   Het plaatst daarmee ook meer op de voorgrond het in toenemende verscheidenheid richting individu komen tot het vormgeven aan een werkelijk effectief en doelmatig beleid. En het weergeven van de hierbij in toenemende verscheidenheid optredende drempels en knelpunten. Afroming en verdringing vindt hier nog in sterke mate plaats mede vanwege het feit dat er sprake  blijft van een verbrokkelde aanpak van meervoudige problemen. Een pleidooi dus voor een beleid met het toenemende belang om met name richting individu te komen tot een goed geschakelde ketenbenadering. Daarmee vaak vragend om een andere invulling van  adequate dienstverlening.

    Het hanteren van een groepsbenadering bij het vormgeven aan een adequaat activeringsbeleid komt daarmee ook in een andere relatie te staan tot het hanteren van een gerichte maatwerkbenadering. Het teveel laten domineren van een administratieve categorale benadering zal in  toenemende mate voor velen  werken als een keurslijf. Overheidsondersteuning vraagt in het actuele tijdsgewricht in toenemende mate om een individuele invulling.

    Het plaatst daarmee aanvullend dan ook in toenemende mate op de voorgrond het vaak meer diverse spanningveld tussen twee zeer verschillende sociale omgevingen te weten de wereld van de uitvoering en de wereld van de client. En daarmee  de in toenemende verscheidenheid door de (semi)overheid e.a. te verlenen dienstverlening.

    De standaardcliënt maatgevend voor de vormgeving aan het beleid en ook makkelijk te vatten in beperkte administratieve beleidscategorien bestaat niet meer als unieke maatgevende beleidcategorie. Dit onverlet latende het voort blijven bestaan van de min of meer bekende probleemgroepen aan de onderkant van de arbeidsmarkt en de rafelrand van de samenleving. Vanwege het toenemende individele risico wordt de verhouding tussen duurzame onderklasse en het al dan niet duurzaan behoren tot de groep van working poor ook een andere.

    Het inzoemen op de al dan niet duurzame positie van een individuele client en de mogelijke ontwikkeling in zijn/ haar individuele aspiraties, capaciteiten en mogelijkheden wordt daarmee van toenemende belang. Het publieke geheim  van de onderklassevorming (Engbersen, G., 1990) krijgt voor een gedeelte een andere invulling. 

   Het daarnaast voor velen ook steeds meer verworden van de samenleving tot een risicosamenleving veranderende samenhang tussen de meer tijdelijke- en de meer structurele oorzaken en gevolgen van werkloosheid komen daarbij dan ook steeds meer op de voorgrond te staan. Daarbij ook in grotere verscheidenheid tot een  ander duurzaam (?) evenwicht met elkaar komend. Dit met name bij het bepalen van de verhouding tussen  omvang van de onderklasse en de al dan niet duurzame omvang van de groep van working poor.

    Individuele levensgeschiedenissen gaan voor grotere diverser samengestelde groepen, dan enkel de reeds lang bekende probleemgroepen aan de onderkant van de arbeidsmarkt en de rafelrand van de samenleving een belangrijker rol spelen bij het bepalen van de duurzame positie op de arbeidsmarkt. Voor een individu komen daarmee de noodzaak van het toepassen van structureel- en individueel beleid daarmee vaak in toenemende mate in een andere evenwicht  met elkaar te staan. 

   De oorzaken voor het belanden aan de rafelrand van de arbeidsmarkt, die daarmee dan ook steeds minder enkel te vatten zijn in enkel beperkte strikt arbeidsmarkt en bijbehorende plaats binnen het stelsel van sociaal zekerheid  gerelateerde kenmerken als bijv de tegenstelling tussen laag opgeleid en hoog opgeleid. De grenzen van het sociale beleid worden daardoor op individueel niveau op een minder eenduidige aard en wijze bereikt. Beleid  enkel gebaseerd op statistische gemiddelden verliest daarmee voor een gedeelte haar reële waarde.   

Conclusie.

    Het publieke geheim van de onderkant van de arbeidsmarkt krijgt daarmee in belangrijke mate een andere in belangrijke mate voor grote groepen ook minder eenduidige invulling. Individueel mismanagement bij het bepalen van de duurzame relatie met de arbeidsmarkt gaat in het actuele tijdsgewricht een belangrijker rol spelen. Dit aangevuld met het in sterkere mate voorkomen van individueel ongeluk. Een invulling, die daardoor met name op individueel niveau steeds minder valt te vatten enkel in beperkte termen van het genoten opleidingsniveau. En daarmee in de strikte tegenstelling tussen laag opgeleid en hoog opgeleid. Zij komt daarmee ook in een andere relatie te staan tot onderklassevorming. De relatie tussen working poor en onderklasse krijgt daarmee een andere invulling.

    Een onderklasse, die al dan niet tijdelijk als het gaat om het opleidingsniveau ook anders van samenstelling wordt. Zij groeit, dan misschien niet, maar de kans voor een individu wordt groter om al dan niet tijdelijk te behoren tot de onderklasse wordt groter voor een breder samengestelde groep. Een kans, die met name groter wordt als men erbij betrekt de naar aspiratieniveau, capaciteiten en mogelijkheden divers samengestelde groep van “working poor”.

    Kansrijk en kansarm op de arbeidsmarkt behoeft daarmee in zekere zin een meer individuele invulling. Dit naast het voort blijven bestaan van de op basis van beperkte administratieve groepskenmerken  te schetsen blijvende probleemgroepen aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Een groep van met name laag opgeleiden. Daarnaast vaak gekenmerkt door een veelheid aan brede intensieve maatschappelijke problemen.

    Een daarmee veroorzakende ook diversere veranderende “benodigde” samenhang tussen de inzet van (semi)overheidsbeleid en de zich concreet voordoende maatschappelijke ontwikkelingen. Dit niet enkel op individueel niveau. Een verder daarnaast “benodigde” veranderende samenhang, die ook verder benadrukt kan worden doordat de onderklasse in toenemende mate een kleurtje krijgt. En sociale integratie op een diversere aard en wijze een rol gaat  spelen.

    Het plaatst daarmee in toenemende verscheidenheid meer op het de voorgrond het vraagstuk van de sociale integratie van maatschappelijke groepen binnen een zich individualiserende samenleving. En geeft daardoor ook een groter belang aan het weergeven van het spanningsveld tussen een “benodigde” meer specifieke invulling van de veranderende samenhang tussen administratief beleid en de zich concreet zich voordoende maatschappelijke ontwikkelingen.

    Daarmee dan ook meer op de voorgrond plaatsend met name de op een divers individueel niveau, maar ook beperkt groepsniveau vaak “benodigde” veranderende samenhang tussen de noodzaak van een bepaald tijdstip van aanbod van bepaalde dienstverlening en middelen en het zich daarbij in een grotere verscheidenheid definiëren van de noodzaak van bepaalde dienstverlening qua aard, omvang en duur. Vormen van afroming en verdringing zullen zich daarbij op een eigentijdse diverse aard en wijze aan ons voordoen.

    Een veranderende samenhang tussen beiden ook vanwege een toenemend risico op de arbeidsmarkt van een naar aspiratieniveau, capaciteiten en mogelijkheden diverser en breder samengestelde (doel)groep van beleid. Daarmee ook leidend tot een toenemende diversiteit in de intensiteit van de maatschappelijke problemen heersend onder het totaal van de leden van de onderklasse en working poor. En daarmee dus een druk leggend in toenemende diversiteit op de aard en omvang van de vereiste dienstverlening. Het definiëren van de adequate dienstverlening zal daarbij ook moeilijker worden; dit in relatie tot de gevraagde- en vereiste mate van individuele zelfredzaamheid.

    Daarmee dus ook een divers continu spanningsveld blijven veroorzakend  bij de concrete definitie door zittende klasse en in evt. samenspraak met het betreffende individu van de aan een zeker individu te verlenen dienstverlening. Daarbij ook vaak vragend om een andere relatie tussen beleidsvorming en insteek richting een diverse sociale omgeving van (potentiële) cliënten. Tussen formele definitie en materiele mogelijkheden zal dan ook vaak een zeker spanningsveld blijven bestaan. Een spanningsveld, waarbij  de administratieve indelingen in doelgroepen van staand beleid in een andere relatie komen te staan tot houdingsaspecten- en aspiratieniveau van afzonderlijke cliënten. Deze laatsten  blijven in de praktijk vaak in belangrijke mate mede bepalend voor de levensloop van cliënten. En dit voor een breed samengestelde groep.

 

 

 
U kunt een e-mailbericht met vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan: kooskoopal@hotmail.com .
Laatst bijgewerkt: 03 oktober 2012