Start Omhoog Inhoud Zoeken

Publicatie 7
Publicatie 1 Publicatie 2 Publicatie 3 Publicatie 4 Publicatie 5 Publicatie 6 Publicatie 7 Publicatie 8 Publicatie 9 Publicatie 10 Publicatie 11 Publicatie 13 Publicatie 12 Publicatie 14 Publicatie 15 Publicatie 16 Publicatie 18

 

 

Een outsider tussen sociale netwerken, (aanwezige) hulpbronnen en (concrete) dienstverlening een tijdelijke top of een duurzame flop?                                

Ons uitgangspunt.                                 

  Individualisering legt in toenemende verscheidenheid een druk op het komen tot succesvolle vormen van (re)integratie op de arbeidsmarkt van (potentiële) cliënten. Het als outsider ook in tijden van al dan niet tijdelijke tegenspoed (blijven) beschikken over ondersteunende sociale netwerken blijft verder nog los van het voorgaande in belangrijke mate bepalend voor het t.z.t. komen tot een vorm van duurzame (re)integratie op de arbeidsmarkt. Sociaal isolement komt echter voor onder  ook een breed samengestelde groep van werkenden (Machielse, A., 2003). Vele armen voelen zich daarnaast “gedwongen” op de slecht betaalde slechts op flexibele tijdelijke basis te vervullen baan te accepteren dit om te overleven (Waquant, L., 2007).

   Informele netwerken en daaraan gekoppeld de aard en inhoud van de duurzaam richting arbeidsmarkt aan te nemen houding blijft verder in belangrijke mate bepalend voor het uiteindelijk succes. Een aan te nemen houding, die onder druk staat vanwege het in toenemende mate centraal stellen van de doelstelling van participatie aan het maatschappelijk gebeuren en niet het om zich verkrijgen van een uitkering. De mate van individueel welzijn blijft daarbij vaak staan in een wisselend spanningsveld tot het behoren tot een bepaalde administratieve doelgroep van beleid. Daarmee  o.a. met zich meebrengend in het actuele tijdsgewricht moderne vormen van afromen en verdringen.

    Juist bij veel langdurig werklozen zijn deze sociale netwerken vaak sterk ingekrompen en naar binnen gekeerd (Pas, I van der, en Serail, S., 1999). En daarnaast  bestaat de relatie met de arbeidsmarkt met name bij deze laatstgenoemde groep vaak enkel d.m.v. een uit het verre verleden daterende relatie met een individuele werkgever als er al sprake is van een uit het verleden daterende relatie met een werkgever.

    Onderklassevorming (Dalrymple, T., 2004, 2005, Engbersen, G. 1990 en  2006 en Waquant, L., 2007) vormt daarnaast al jaren een belangrijk discussieonderwerp. Een onderklasse met een verschuivende inhoud hetgeen ook leidt tot een wisselende relatie tussen onderklassevorming en het al dan niet blijvend als individu behorend tot de onderkant van de arbeidsmarkt. En daarmee ook het al dan niet duurzaam behoren tot de groep van working poor. Standpunten over de noodzaak en duur van de (noodzakelijke) ondersteuning m.b.v. de aanvullend door de 9semi)overheid e.a. te verlenen dienstverlening staan daarbij regelmatig diametraal tegenover elkaar. En een al dan niet duurzame afhankelijkheidsrelatie wordt daarbij regelmatig ter discussie gesteld. Ondersteuning zou mensen slechts afhankelijk houden en leiden tot blijvende afhankelijkheid (Dalrymple, T., 2004).

    Een verdere doorstroom naar de onderkant van de arbeidsmarkt en verder wordt ook steeds meer centraal gesteld. Transities aan de onderkant van de arbeidsmarkt blijven echter  door tal van oorzaken beperkt van omvang en karakter. En dit in een tijdsperiode dat door  een toenemende individualisering en het voor velen verworden tot een risicosamenleving (Beck, U., 1992) een naar  capaciteiten, aspiratieniveau en uiteindelijke mogelijkheden diverser samengestelde (doel)groep kwetsbaar is geworden. Tijdelijkheid en het definitief behoren tot krijgt daarmee voor een naar aspiratieniveau, capaciteiten en mogelijkheden al dan niet op (langere) termijn diverser dan voorheen samengestelde (doel)groep een andere betekenis.

   Zij legt daarmee in toenemende verscheidenheid een druk op de effectiviteit en doelmatigheid van het in globale termen geformuleerde generieke staande beleid. In toenemende mate zullen (potentiele) clienten af gaan wijken van het standaardgemiddelde. Het standaardgemiddelde dat de basis blijft vormen voor de beleidsvorming. Dit alles onder het blijvend voortbestaan van de bekende probleemgroepen als laagopgeleide langdurig werklozen, 2. alleenstaande bijstandsouders en 3. veel laagopgeleid met  name allochtoine ouderen aan de onderkant van de arbeidsmarkt (Beer, P. de, 1996) en de rafelrand van de samenleving. Een samenstelling, die daarnaast onder druk staat vanwege de herkeuring van grote groepen arbeidsongeschikten en Wajongers.

   Echter nog steeds staat ook de beleidsvorming t.a.v. een naar aspiratieniveau, capaciteiten en mogelijkheden al dan niet op de wat langere termijn diverser samengestelde groep van outsiders centraal een begin met een indeling van (potentiele) clienten in standaard administratieve doelgroepen van staand beleid op basis van een beperkt aantal öbjectieve indelingscriteria als o.a. de “afstand” van clienten tot de arbeidsmarkt. De administratieve doelgroep blijft in belangrijke mate bepalend voor de aard en omvang van de (aanvullend) ter beschikking gestelde dienstverlening. Niet het individu staat daarbij centraal, maar de administratieve doelgroep, waartoe men geacht wordt toe te behoren van een vaak gefragmenteerd verkokerd beleid. Tal van formele- en informele drempels blijven daarbij bestaan.

   En dit dus in een tijd van toenemende individualisering en het voor velen verworden tot een risicosamenleving. Voor velen wordt de relatie tussen het al dan niet duurzaam behoren tot de onderklasse en/ of working poor ingebed in een vaak duurzame positie aan de onderkant van de arbeidsmarkt een andere. En dit ook in een tijd dat de definitie van een individuele outsider ook een andere wordt gezien het in toenemende mate centraal stellen het komen tot participatie voor een breder samengestelde groep. Het om niet verkrijgen van een uitkering verdwijnt steeds meer naar de achtergrond. De cultuur van het moderne kapitalisme krijgt een andere invulling. Solidariteit krijgt daarbij een minder prominente vaak slechts tijdelijke rol (Sennett, R., 2005). Een beperkte groepsgebonden solidariteit, toenemende flexibilisering en zelfredzaamheid komt daarbij steeds centraal te staan. En de sociale samenhang komt daarmee op een andere manier tot stand. Het als individu in staat zijn om bruggen te slaan wordt daarbij van toenemend belang (Putnam, 2003). Met andere  vormen van al  dan niet duurzame vormen van in- en uitsluiting. Minder eenduidig enkel te vatten in beperkte administratieve termen.

    Het blijft ook nu tijdens de verandering van een verzorgingsstaat naar een participatiesamenleving categorieen versus individu. En dit in een tijd dat er voor grote  groepen sprake is van het verworden tot een risicosamenleving (Beck, U., 1992).

    Dienstverlening vraagt daarmee en daardoor in het actuele tijdsgewricht vanwege de veranderende maatschappelijke ontwikkelingen van individualisering en het verworden tot en risicosamenleving voor velen in toenemende mate om een meer diverse invulling op micro-, meso en macroniveau. Drempels en knelpunten in de al dan niet duurzame verhouding tussen in- en outsiders komen anders en minder eenduidig voor een individu te liggen. Daarnaast kunnen houdingsaspecten van (groepen) uitkerinsgerechtigden ook nu sterk van elkaar blijven verschillen (Engbersen, G., Kroft, H.K.A. Schuyt, k. en waarden, F., 1989 en Engbersen, G., Schuyt, K. Timmer, J. en Waarden, F. 1993 en 2006).

   Een meer “bevredigende” dienstverlening (WRR, 2005), waarbij daarmee automatisch al dan niet bedoeld en gerechtvaardigt ook een ander evenwicht ontstaat tussen veranderende recht- en regelgeving en administratieve- en maatschappelijke individualisering wordt van toenemend belang. En daarmee de toenemende noodzaak om te komen tot een meer divers inzicht in de optredende drempels en knelpunten tijdens hert proces van duurzame (re)integratie in de maatschappij met name de arbeidsmarkt.

   Voor velen wordt het echter een andere verhouding tussen het al dan niet tijdelijk behoren tot de onderklasse; dit onder het voortbestaan van een divers samengestelde bekende probleemgroep, het al dan niet tijdelijk behoren tot  een naar uiteindelijk aspiratieniveau, capaciteiten en mogelijkheden divers samengestelde groep van working  poor en het bereiken van comp-let onafhankelijkheid op de arbeidsmarkt van het duurzaam bekleden van een duurzame reguliere arbeidsplaats

   De prioriteit blijft liggen bij administratieve categorieen. In de actuele samenleving vraagt het echter met name op individueel niveau om een andere samenhang tussen 1. (aanwezige) en aanvullend ter beschikking gestelde hulbronnen, tussen 2. sociale netwerken van (potentiële) clienten en uitvoeringsinstellingen en 3. de concrete m.b.v. administratieve recht en regelgeving te verlenen dienstverlening. En dit alles ondersteunt door een grote diverse mate van individuele zelfredzaamheid. Afhankelijkheid krijgt voor velen daarmee een andere inhoud.

    Daarmee ook vaak leidend tot conflicten tussen individu en categorie over de aard van de hulpverlening en daarmee (aanvullend) ter beschikking gestelde hulpbronnen. Modern beleid vraagt echter gezien de maatschappelijke ontwikkelingen vaak om een ander evenwicht tussen beleidsvorming en- uitvoering. En daarmee ook tussen gangbaar en noodzakelijk beleid.

    Tussen beiden blijft vaak een groot spanningsveld bestaan. Dit mede veroorzaakt door  verder optredende maatschappelijke ontwikkelingen als flexibilisering, het streven naar  maatschappelijke onafhankelijkheid en (leeftijds)discriminatie, etc. Afroming en verdringing wordt in een modern jasje gestoken. En daarmee krijgt het sociale conflict een gedeeltelijk andere inhoud. De al langer bestaande blijvende probleemgroepen blijven nog steeds bestaan, maar afwijkingen daarvan gaan een belangrijker rol spelen. Een “bevredigende” dienstverlening (WRR, 2005) vraagt daarmee om een andere invulling.

   Tenslotte blijft ook nu in een veranderende maatschappelijke orde de basis vormen voor de beleidsvorming een in beperkte termen gedefinieerde uitgangspositie voor een individu. Dit op basis van een indeling van potentiële cliënten aan de hand van een beperkt aantal standaard “objectieve” indelingscriteria in doelgroepen van standaard arbeidsmarkt – en sociaal zekerheidsbeleid. Zij zijn en blijven in belangrijke mate bepalend voor de standaard gelimiteerde dienstverlening, etc. Het zijn en blijven statistische gemiddelden, die het beeld bepalen. En niet de vaak afwijkende individue leden.

    Zie verder bijv. de hele discussie over het begrip “afstand” tot de arbeidsmarkt in het bijzonder t.a.v. de “benodigde” dienstverlening het begrip de reintegratieladders. Conflicten over de aard en noodzaak van de “benodigde” dienstverlening blijven daarmee ingebakken en krijgen daarbij in het actuele tijdsgewricht van individualisering en risicospreiding dan ook verder een andere lading. De start ligt bij categorien en niet bij het individu met zijn diversiteit aan aspiraties, capaciteiten, mogelijkheden en moeilijkheden al dan niet op  termijn.

   Verschillen tussen beleidsvorming en concrete beleidsuitvoering op het micro-, meso en macroniveau treden hier al vaak op. Daarnaast treden er tussen groepen al vaak verschillen op naar arbeidsmarktpositie = en sociaal zekerheidsuitkering. Een uit het verleden bestaande relatie met een individuele werkgever bestaande al dan niet strikt formele relatie met een oude werkgever blijft hier in belangrijke mate bepalend voor het toedelen van aanvullende hulpbronnen en voor het optreden van talloze verdere (in)formele drempels en knelpunten voor een individuele client.

    Ook de dienstverlening vraagt mede door dit laatste, maar ook in een breder verband daarnaast bij velen ook om een invulling, die niet enkel valt te formuleren in arbeidsmarkt- en sociaal zekerheidstermen, maar vaak een veel breder karakter dient te krijgen van een brede maatschappelijke dienstverlening. En dit ook in combinatie met het vaak openbreken van beperkt sociale  netwerken. Het  sociale conflict krijgt daarmee in onze moderne maatschappij ook een andere invulling.

   Afroming en verdringing krijgt bij een toenemend individueel risico en het voor grote meer problematische groepen verdwijnen van voldoende werkgelegenheid een moderne invulling, waarbij sectorale verschillen ook in toenemende mate een rol van betekenis spelen. Een diverse met name op het microniveau van een individu liggende sterk wisselende wisselwerking tussen  de sociale omgeving  van cliënten en de ter beschikking staande aanvullende hulpbronnen van (semi)overheid e.a. wordt daarbij van toenemende belang. Komen deze hulpbronnen altijd  in voldoende mate terecht bij diegenen terecht, die werkelijk hulp nodig hebben of is en blijft er sprake van moderne vormen van afroming en verdringing?

   De individuele cliënt blijft vaak enkel van afgeleid belang en komt pas bij de uitvoering van het staande beleid in vol ornaat in beeld. Om de komen tot  meer  maatschappelijke gelijkwaardigheid vraagt het echter om een meer diverse indeling. Dit om tot het beoogde evenwicht te komen tussen gelijkheid en gelijkwaardigheid. Of anders gesteld maatschappelijke solidariteit vraagt om een andere invulling. Dit om tot de beoogde brede levenskansen (Dahrendorf, R., 1992)  voor een grote divers samengestelde groep te komen.

   Administratieve macht en verantwoordelijkheid van organisaties en instellingen komen daarbij ook in een andere relatie te staan tot hun maatschappelijke verantwoordelijkheid (Duyvendak, W.G.J., Engbersen, G., Teeuwen, M. en  Verhoeven, I., 2007). En dit laatste tevens voor individuele (potentiële) cliënten. Dit om te komen tot de concretisering van de brede maatschappelijke doelstelling dat iedereen toch  recht heeft op een fatsoenlijk leven.

    Of zeggen we dat dit voor bepaalde groepen slechts in beperkte mate of in het geheel niet geldt? En laten wij grote groepen over aan het slechts zijn  van  werkelijk benadeelden te zijn (Wilson, W.J., 1989), maar ook niet altijd blijvend te bestempelen  als ongewenst benadeelden te zijn (Wilson, W.J., 1992). Eenduidigheid in hoeverre men duurzaam behoort tot de onderkant van de arbeidsmarkt en/ of de onderklasse valt steeds minder te verwachten; dit in combinatie met het feit of dit te wijten is aan individueel ongeluk of meer maatschappelijke structurele oorzaken.

   Dalen en pieken  bij het verblijven op de arbeidsmarkt zullen zich echter in toenemende verscheidenheid voor doen in het actuele tijdsgewricht, waarbij het duidelijk blijft dat grote divers samengestelde groepen ondersteuning nodig blijven  houden. En zij buiten hun schuld ongewenst werkloos zijn (Wilson, W.J., 1992.).  Het begrip kwetsbaar naar en op de arbeidsmarkt krijgt een andere invulling. En individuele levenslijnen (Dahrendorf, R., 1992) zijn minder eenduidig te duiden. Dit alles ook resulterend in de invulling van het moderne sociale conflict tussen in- en outsiders op een moderne wijze.    

Literatuur.

Beck, U, 1992, Risk Society; towards a  New Modernity, London, Sage Publications.

Beer, P. De, 1996, Het onderste kwart van de arbeidsmarkt, Rijswijk, Sociaal- en cultureel Planbureau.

Dahrendorf, R., 1992, Der Moderne Soziale Konflikt, Stuttgart, Deutsche  Verlags-Anstalt Gmbh.

Dalrymple, T., 2004, Leven aan de onderkant- het systeem dat de onderklasse  in stand houdt, Utrecht, Uitgeverij Het Spectrum.

Duyvendak, W.G.J., Engbersen, G., Teeuwen, M. en Verhoeven, I., 2007, Macht en verantwoordelijkheid; essays voor Kees Schuyt, Amsterdam Amsterdam University Press.

Engbersen, G., Kroft, H.P.A., Schuyt, K. en Waarden, F van, 1989, Een tijd zonder werk; een onderzoek naar de leefwereld van langdurig werklozen, Leiden, Uitgeverij Stenfert Kroes.

Engbersen, G., 1990/ 2006, Publieke Bijstandsgeheime; het onstaan van een onderklasse in Nederland, Leiden/ Amsterdam, Uitgeverij Stenfert Kroes? Amsterdam University Press (AUP).

Machielse, A., 2003, Niets doen niets kennen; de leefwereld  van sociaal geisoleerde mensen, Utrecht, Uitgeverij  Jan van Arkel.

 Pas I van de en Serail, S., Bijstandsexperimenten; impulsen tot activeren; de stand van zakern en lessen na zes jaar experimenten in de Algemene Bijstandswet, Den Haag, Ministerie van S.Z.W./ Elsevier Bedrijfsinformatie.

Putnam, R., 2000, Bowling Alone; the Collapse and Revival of American Community, New York, Simon and Schuster.

Sennett, R., 2007, De cultuur van hert  nieuwe kapitalisme,  Amsterdam, Uitgeverij Meulenhoff.

 Waquant, L. 2006,  Staf de armen; het nieuwe beleid  van sociale onzekerheid, Berchem, Uitgeverij EPO.

 Wilson, W.J., 1987, The Truly Disadvantaged; the inner City, the Underclass and Public Policy, Chicago/ London, The University of Chicago Press.

Wilson, W.J., 1992, When work disappears; the world of the new urban poor, New York, Alfred A. Knopf.

 Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, 2005, Bewijzen van goede dienstverlening, Den Haag, Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.

 

U kunt een e-mailbericht met vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan: kooskoopal@hotmail.com .
Laatst bijgewerkt: 17 oktober 2007