Start Omhoog Inhoud Zoeken

Publicatie 2
Publicatie 1 Publicatie 2 Publicatie 3 Publicatie 4 Publicatie 5 Publicatie 6 Publicatie 7 Publicatie 8 Publicatie 9 Publicatie 10 Publicatie 11 Publicatie 13 Publicatie 12 Publicatie 14 Publicatie 15 Publicatie 16 Publicatie 18

 

 

 

WORKING POOR EN ONDERKLASSEVORMING versus INDIVIDU

Door: Drs. J.A. Koopal 

Waarom?
Een discussie over de vraag naar de veranderende verhouding tussen het voortbestaan van een naar “relevante” maatschappelijke problemen divers te definiëren onderklasse, een groei van de groep van working poor en een veranderende wisselwerking tussen beiden vraagt om een andere invulling in het actuele tijdsgewricht. Voor zover er al sprake kan zijn van maakbaarheid van de samenleving vraagt zij in toenemende mate om een meer diverse invulling. Dit vanwege een toenemende diversiteit in het spanningsveld tussen administratieve recht en regelgeving, het met behulp daarvan komen tot een “bevredigende” vorm van maatschappelijk welbevinden en de “relevantie” van bij clienten bestaande grote diversiteit aan maatschappelijke problemen. Daarmee ook aanleiding gevend tot het op een andere aard en wijze centraal stellen van het vraagstuk van legitimering en rechtvaardiging van het beleid.

Het vraagt dan ook met name om op individueel niveau in een grote diverse combinatie met elkaar om meer aandacht te besteden in de beleidsvorming c.q. uitvoering aan de t.a.v. een individu in een grotere diversiteit optredende beperkende factoren. Dit vanwege de als gevolg van de maatschappelijke veranderingen veranderende positie op termijn (?) van een individu. Dit laatste mede vanwege een toenemende risicospreiding voor een grotere groep en een grotere mate van individualisering. Risico's voor een naar aspiratieniveau, capaciteiten en mogelijkheden diverser samengestelde (doel)groep. Een onderklasse, die daarnaast dan misschien wel niet groeit, maar wel in sterkere mate een kleurtje krijgt. En willen wij in de toekomst problemen voorkomen wel blijft vragen om een extra inzet van middelen door (semi)overheid e.a.

Zij, die nu aan de kant staan vragen vaak ook om meer dan enkel een standaard begeleiding, die nu in belangrijke mate centraal blijft staan. Daarmee vragen zij ook vaak om divers vorm te geven extra begeleiding. In hoeverre zijn wij daartoe echter bereid in onze sterk veranderende samenleving? De sterk veranderde maatschappelijke ontwikkelingen heeft dan wel een diverser samengestelde groep kwetsbaar gemaakt, maar houden we daarmee in de standaard beleidsvorming wel voldoende rekening mee?

Bij de vormgeving aan het gemeentelijk (re)integratiebeleid blijft er immers richting individu vaak sprake van het optreden van een zekere bevoogding, betutteling en/ of een zekere mate van paternalisme. Daarnaast blijven beperkte institutionele- en organisatorische belangen, maar al te vaak overheersen.

En maar al te vaak blijft men daarom ook nu bij de diagnosestelling en de verdere trajectvorming nog steeds niet uitgaan van het geheel van de individuele aspiraties, mogelijkheden en capaciteiten al dan niet op de wat langere termijn van de afzonderlijke cliënten.

Alleen maar maatregelen?
Bij vele individuele leden onder de doelgroep van gefragmenteerd beleid heeft een traject vaak een lange duur, maar tonen velen van hen op termijn wel aan meer te kunnen en te willen dan hen nu formeel geboden wordt. Wel doen velen van hen er als individu vaak extra lang over om tot de ontwikkeling te komen van in potentie aanwezige capaciteiten, aspiraties en mogelijkheden.

Met het steeds diverser worden qua samenstelling van de doelgroep heeft het ook in steeds grotere verscheidenheid zijn gevolgen voor de uiteindelijke vorm en inhoud van participatie van een individu, die concreet tot stand komt m.b.v. de inzet van overheidsmiddelen. En daarmee zijn effect op de concrete vormgeving aan het armoedebeleid voor de meer kortere termijn in combinatie met het activeringsbeleid voor de meer langere termijn. Dit alles onverlet latende een grote concentratie van maatschappelijke problemen bij bepaalde groepen aan de onderkant van de arbeidsmarkt en met name de rafelrand van de samenleving.

Armoede en daarmee onderklassevorming is weer terug op de maatschappelijke agenda als we de actuele discussies en ontwikkelingen tenminste (blijven) volgen, maar vraagt vanwege de veranderende maatschappelijke ontwikkelingen ook in de beleidsvorming om een in toenemende mate meer diverse invulling. De kans is ook groter geworden dat een (potentiële) cliënt afwijkt van de standaardmodelburger die de basis blijft vormen voor de beleidsvorming.

Het onderwerp onderklassevorming/ armoedebestrijding vormt ook een belangrijk onderwerp bij de sociale agenda. Het is ook in het publieke debat terug van niet weggeweest. Het vormde in ons land in academische kringen en in het maatschappelijk debat ook aan het einde van de jaren tachtig van de vorige eeuw reeds een belangrijk punt van aandacht als gevolg van de toen heersende grote werkloosheid. Dit nadat het in de jaren zestig voor het eerst meer dan marginale aandacht kreeg door het werk van de socioloog Durlacher “De laagstbetaalden”.

Daarnaast bestaat er ook reeds lang en breed een breed samengestelde klasse van working poor. Dit mede als gevolg van de reeds jaren van kracht zijnde maatregelen van het activerend arbeidsmarktbeleid. Ondersteuningsmaatrgelen en arbeidsmarktmaatregelen hebben vaak maar een beperkte mate van effectiviteit en doelmatigheid. En veel activeringsmaatregelen zijn het experimentele stadium ook niet voorbij geraakt. Doorstroom van additioneel werkenden richting de reguliere arbeidsmarkt blijft daarnaast vaak beperkt. Beide groepen onderklasse en working poor zijn ook verder echter niet zo maar aan elkaar gelijk te stellen.

Daarvoor verschillen de aard en omvang van de bij beide- en binnen de afzonderlijke groepen bestaande maatschappelijke problemen te veel van elkaar. Risicovorming heeft zich daarnaast voor een groot gedeelte gedemocratiseerd en geïndividualiseerd, zodat niet meer alleen de standaard doelgroepen van administratief beleid aan de onderkant van de samenleving onze zorg behoeven.

Het managen van risico's vraagt in toenemende mate om een individuele invulling. Dit ook aan de onderkant van de arbeidsmarkt en de rafelrand van de samenleving. Een onderkant en rafelrand, die ook steeds moeilijker eenduidig te karakteriseren is; dit temeer daar wij ook hier te maken hebben met een verder vaak diverse samenstelling naar aard en omvang van de verder van belang zijnde maatschappelijk problemen.

Het vormgeven aan generieke administratieve vormen van solidariteit zal daarmee ook slechts voor een beperkte gedeelte een oplossing van de problemen betekenen. De vraag, die wij ook in toenemende mate dienen te stellen in grotere verscheidenheid, is in hoeverre en in welke mate zijn wij bereid solidair te zijn en vorm te geven aan meer dan alleen administratieve vormen van solidariteit. Daarnaast zullen wij ook hier bij de doelgroep van een mogelijke onderklasse en de groep van working poor in toenemende verscheidenheid de vraag moeten stellen hoe wij via de vormgeving aan een grote verscheidenheid aan institutionele arrangementen individueel ongeluk kunnen en willen compenseren?

Veranderend tijdsbeeld.
Het gebeurt immers allemaal in een tijdsperiode van toenemende individualisering en het voor velen steeds meer verworden tot een risicosamenleving. Risico's, die daarmee een breder samengestelde (doel)groep kunnen overkomen. Breder naar (uiteindelijk) aspiratieniveau, capaciteiten al dan niet op termijn en al dan niet concrete mogelijkheden. De mogelijkheden om via een meer gericht (semi)overheidsbeleid de optredende verschillen te verkleinen blijven daarbij beperkt. Dit vanwege een vaak blijvend spanningsveld tussen administratieve recht- en regelgeving en maatschappelijke ontwikkelingen.

Daarnaast speelt nog meer dan in eerdere perioden van grote aantallen langdurig werklozen mee dat onderklassevorming op dit moment in sterke mate een kleurtje krijgt. Met name binnen de diverse grootstedelijke gebieden gaat het met name om grote aantallen laagopgeleide allochtonen, waarbij grote groepen laagopgeleide jongeren voor een dubbele emancipatie staan. Bij velen van hen conflicteert de thuisomgeving in sterke mate met de omgeving waar ze een groot gedeelte van de dag in vertoeven.

Een gemeentelijk activerend arbeidsmarktbeleid dat daarmee in toenemende mate vraagt om een meer flexibele- en richting individu meer diverse inzet van middelen, maar tot nu toe mensen vaak voor lange perioden blijvend gevangen hield in een vorm van additionele arbeid. Een meer diverse uitvoering krijgt daarmee een grotere rol in relatie tot generieke standaard beleidsvorming. Daarmee ook aanleiding gevend tot het optreden van een breed prisonersdilemma. Zekerheid had men en wil men ook verder, maar tot een totale gewenste ontwikkeling van (potentiële) aspiraties, capaciteiten en mogelijkheden komt men vaak niet als additioneel werkende.

Daarmee wordt het vanwege de veranderende maatschappelijke verhoudingen ook steeds moeilijker om bij de beleidsvorming en aansluitende legitimering en rechtvaardiging van het beleid enkel te blijven denken in puur standaard administratieve beleidscategorieën. En daarmee ook strikt centraal te blijven stellen een benadering van cliënten, waarbij enkel het denken in generaties centraal blijft staan. Gevraagd zal steeds vaker worden op micro-niveau een benadering waarbij centraal staat een subtiel evenwicht tussen een benadering van de standaard administratieve beleidscategorieën, een benadering van maatschappelijke groepen waar zich de problemen blijven concentreren en een meer individuele benadering van cliënten met een duidelijk schrammetje.

Een toenemende individualisering van sociale relaties, waaronder ook arbeidsrelaties en de daarbij ook steeds meer niet eenduidig aansluitende meer flexibele administratieve relaties vindt plaatst voor een brede groep. En brengt steeds meer in het middelpunt van de belangstelling de noodzaak van het daarmee noodzakelijk in toenemende verscheidenheid te voeren maatschappelijke debat over vorm en reïntegratie. En over het veranderende spanningsveld tussen de zich in grotere verscheidenheid voordoende veranderingen in sociaal gedrag en de daarmee gepaard gaande beperkte administratieve individualisering.

Een debat wat dus breder dient te zijn dan alleen maar een discussie over mogelijk andere verhoudingen tussen administratieve categorieën en met name de verhouding tussen jongeren en ouderen. Daarbij dient het ook meer te zijn dan enkel een discussie over de verhouding tussen vergrijzing en verjonging.

Maakbaarheid van een levensloop.
Er geldt dus dat de maakbaarheid van een individuele levensloop d.m.v. het tot stand brengen van een adequaat overheidsbeleid vraagt op individueel niveau in toenemende mate om ook een minder eenduidige geforceerde administratieve invulling. Dit vanwege de immers minder eenduidige invulling bij cliënten van de voor het (her)intreden van een individu op de arbeidsmarkt “relevante” problemen. En daarmee van de concrete invulling van de daaraan gekoppelde dienstverlening.

Een “noodzakelijke” individualisering van de uitvoering, die minder makkelijk in beperkte administratieve termen te vatten zal zijn. Daarmee zal zij in al haar diversiteit vaak een grote druk blijven leggen op de uitvoering. Het is met name deze constatering, die verantwoordelijk zal blijven voor een minder eenduidige rol met name op individueel niveau voor de (semi)overheid bij de trajectvorming.

Calculerende (additioneel) werkenden zullen wij op diverse niveaus tegen blijven komen. Dit als een zeker spiegelbeeld van het aan het einde van de jaren tachtig in onderzoek al gesignaleerde verschijnsel van de grote verschillen in aan te houding onder groepen langdurig werklozen. En waarbij er ook vaak meer ruimte zal dienen te ontstaan in de recht- en regelgeving voor een meer dynamische invulling van individuele rechten en plichten; dit vanwege de immers toenemende verschillen. Een meer “bevredigend” duurzaam evenwicht tussen beiden is echter nog steeds niet gevonden.

Het denken en handelen in enkel strikt administratieve termen van beleid zullen we dus steeds meer ter discussie dienen te blijven stellen. En meer nadruk dienen te blijven leggen op een in diverse termen te formuleren uitvoeringspraktijk, waarbij de te tonen empathie voor een doelgroep van beleid in al zijn diversiteit van groot belang is. Bewust zijn wij ons daarbij van het feit dat dit kan blijven leiden tot het inruilen van de ene bureaucratie voor de andere. Hetgeen wij echter dienen te blijven voorkomen. Het voortbestaan van een zittende klasse van uitvoeringsambtenaren mag toch niet het vooropgezette doel van beleid zijn en blijven?

Het uitgangspunt moet blijven het komen tot een voor iedereen werkelijk meer fatsoenlijke samenleving. Daarvoor zullen wij een breed ander evenwicht dienen te vinden tussen het tonen van empathie voor hen, die niet blijven voldoen aan de definitie van een modelburger, het daarbij zijn van een grotere mate van kwetsbaar van een bredere groep. En het daarnaast als afgeleide centraal blijven stellen van de positie van de zittende klasse van uitvoeringsambtenaren.

Kortom in welke mate kiezen wij in toenemende mate voor 1. het individu, 2. de instellingen en organisaties of 3. een zekere mate van maatschappelijk ongemak voor velen? Weten wij een “bevredigend” evenwicht daartussen te vinden voor een ieder? Kwetsbaar is tenslotte geworden een breder samengestelde groep dan enkel de standaard bekende doelgroepen van beleid aan de onderkant van de arbeidsmarkt en de rafelrand van de samenleving. De standaard gemiddelden, waarop de beleidsvorming nog steeds in overheersende mate plaatsvindt, zullen steeds meer geconfronteerd worden met afwijkingen. Het vraagt daarom ook om een andere inzet ook van de zittende klasse van uitvoeringsambtenaren. Meer dan alleen het lezen van de administratieve voorschriften, waaruit slechts de formele betrokkenheid blijkt van de bureaucratie.

Conclusie.
Kortom de vraag kunnen wij vaak blijven stellen in hoeverre kiezen wij bij de vormgeving van het beleid en de legitimering en rechtvaardiging voor het individu, het belang van de (in)formeel betrokken instellingen en organisaties en in hoeverre laten wij het over aan het optreden van een zeker maatschappelijk ongemak bij velen? Weten wij voor een ieder een “bevredigend” evenwicht te vinden? Een antwoord op deze vraag zal ook niet meer te vatten zijn in de ouderwetse vertrouwde klassieke termen van bestaande klassentegenstellingen, maar vraagt om een meer eigentijdse invulling.

De belangen van de zittende klasse blijven daarbij van ondergeschikt belang. Vrijheid in maatschappelijke gebondenheid zal in toenemende mate een rol van betekenis spelen. Wij blijven echter ook verder onze gerede twijfels houden in hoeverre het zover zal komen, vanwege de grote diversiteit aan op blijven tredende formele- en informele belangentegenstellingen tussen betrokken organisaties en instellingen.

Belangen, die ook regelmatig met elkaar zullen blijven botsen. Daarmee de vraag op blijven werpend in hoeverre zijn en blijven wij solidair met de zittende klasse van uitvoeringsambtenaren en in hoeverre zijn en blijven wij solidair met de individuele burger, die niet blijft voldoen aan de definitie van de modelburger? De standaard modelburger, die de basis blijft vormen in de beleidsvorming, maar waar velen van af blijven wijken.

 

Drs. J.A. (Koos) Koopal,

Amstelkade 51-hs,

1078 AJ Amsterdam, 020-4681482

kooskoopal@hotmail.com

U kunt een e-mailbericht met vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan: kooskoopal@hotmail.com .
Laatst bijgewerkt: 25 juli 2007