Start Omhoog Inhoud Zoeken

Publicatie 4
Publicatie 1 Publicatie 2 Publicatie 3 Publicatie 4 Publicatie 5 Publicatie 6 Publicatie 7 Publicatie 8 Publicatie 9 Publicatie 10 Publicatie 11 Publicatie 13 Publicatie 12 Publicatie 14 Publicatie 15 Publicatie 16 Publicatie 18

 

 

Langdurig werklozen; werkt additionele arbeid?

Ons uitgangspunt.

    Het aantal bijstandsgerechtigden neemt dan wel in lichte mate af, maar aan de andere kant heeft het probleem zich verhard en blijft er een grote groep langdurig werklozen bestaan. Dynamiek in de levensloop in de vorm van het komen tot verdere transitie op de arbeidsmarkt blijft verder vaak beperkt (Ester, P., Muffels, R. en Schippers, J., 2006) met name voor de groep van met name langdurig bijstandsgerechtigden. Transities aan de onderkant van de arbeidsmarkt, die sowieso beperkt van omvang blijven (Leeuwe, P. van,  Scheele, D, Theeuwes, J. en Woortman, T., 2006)

    Daarnaast blijft de doorstroom vanuit de onderkant van de arbeidsmarkt, waaronder additionele arbeid beperkt. Een optreden wat daarnaast nog vaak wordt versterkt door de beperkte mate van effectiviteit van het gemeentelijk reïntegratiebeleid (Graaf-Zijl, M. de, Heyma, A., en Hoop, T. de, 2006, blz.37/ 41.); dit mede veroorzaak door het feit dat op de groep gerichte  reïntegratie-instrumenten vaak te weinig gericht worden ingezet. Mede de oorzaak vormend dat grote groepen bijstandsgerechtigden op termijn  weer terugvallen in de bijstandsuitkering ( Graaf-Zijl, M, Groot, I. en Hop, J.P, 2006).

    Met name bij de groep van langdurig werklozen ook van extra belang om te komen tot een gerichte geschakelde inzet van de reïntegratie-instrumenten, daar het hier vaak een groep betreft met vaak beperkte naar binnen gekeerde sociale netwerken. En om meervoudige intensieve  brede maatschappelijke problemen, die  vragen om een langdurig traject. Groepsprocessen staan daarbij ook vaak in een zeker spanningsveld met individuele belangen. En richting verdere maatschappelijke vorming te ontwikkelen waarden en normen. Daarmee ook een toenemend belang toekennend aan op individueel niveau te ontwikkelen  deugden (Schuyt, K., 2006). De houding  richting het t.z.t. komen tot herintreden op de arbeidsmarkt kan daarnaast binnen het geheel van de groep van bijstandsgerechtigden sterk verschillen, waarbij er nu  met de poortwachtersfunctie sprake zal zijn van een andere indeling  in groepen qua aan te nemen houding dan eerder het geval was (Engbersen, G, Schuyt, K., Timmer, J. en Waarden, F van , 1989).

    Duurzaamheid van trajecten vraagt daarbij ook in toenemende mate in toenemende verscheidenheid om meer aandacht. Trajecten, waarbij ook in  grote verscheidenheid aandacht wordt besteed aan geschakelde meervoudige gericht op maatschappelijke dienstverlening, (aanvullende) opleiding en zo mogelijk uitplaatsing richting de reguliere arbeidsmarkt vormgegeven individuele trajecten. En niet enkel aandacht wordt besteed aan het boeken van korte termijn successen. Een gevaar wat om de hoek blijft loeren bij het strikt centraal blijven stellen van de poortwachtersfunctie in enge zin.

    Verder bestaat er al een divers samengestelde groep van working poor. Voor een gedeelte een overlap vormend met de eerder aangehaalde groep. En zijn verder voor velen de sociale relaties in sterke mate geïndividualiseerd. Dit mede in het kader van het voor velen verworden tot een risicosamenleving. Naast het voortbestaan van de naar relevante problemen divers samengestelde onderklasse leidt dit alles ook tot het voortbestaan van een daarbij aansluitende divers samengestelde groep van working poor. Diverser voor het geheel van de (doel)groep qua capaciteiten, mogelijkheden en aspiratieniveau.  En dit gekoppeld aan het genoten opleidingsniveau en (uiteindelijke) mogelijkheden op de arbeidsmarkt.

   Statische rechten en plichten komen daarbij in een ander evenwicht te staan tot het toenemende belang van het meer in dynamische termen vorm geven van rechten en plichten. Terugval en doorgroei kan daarbij in grotere verscheidenheid plaatsvinden. Identiteitsvorming wordt daarbij van toenemen belang; dit ondersteund door het  aan blijven houden van brede informele sociale netwerken. Rechten blijft men vormgeven als een afgeleide van een indeling in formele doelgroepen van arbeidsmarkt- en sociaal zekerheidsbeleid. Hetgeen aanleiding kan blijven geven tot het in de verdere toekomst optreden van nieuwe (in)formele drempels en blokkades.

   Het weergeven in al zijn diversiteit van de positie van een individu wordt daarmee van toenemend belang. Sociaal isolement doet zich immers voor onder een diverser samengestelde groep ( Machielse, A., 2005). En tweedeling krijgt daarnaast ook een andere invulling door het steeds meer centraal stellen van het principe voor wat hoort wat en een beperkte doorstroom  van additioneel werkenden richting de reguliere arbeidsmarkt. Een onderklasse, die daarnaast  in toenemende mate een kleurtje krijgt.

    Risico’s  binnen de maatschappij in brede zin en strikt op de arbeidsmarkt doen zich daarbij in het actuele tijdsgewricht ook voor in een grotere verscheidenheid en voor een naar aspiratieniveau, capaciteiten en mogelijkheden breder samengestelde groep. Dynamisering van een levensloop d.m.v. het vormgeven aan een generatiebewust beleid krijgt daarmee voor deze breder samengestelde (doel)groep een meer diverse invulling in relatie tot de duurzaam te bekleden positie op de arbeidsmarkt. Verschillen tussen groepen en individuen o.a. bij het vormgeven aan solidariteit kunnen daarbij in toenemende mate optreden. Verschillen  tussen administratieve- en maatschappelijke vormen van solidariteit doen zich daarbij ook in ruime mate voor. Het komen tot sociale co4ehesie krijgt daarbij ook een diverse invulling.

    Daarmee ook vaak vragend om een andere in de tijd wisselende relatie op individueel en groepsniveau tussen sociaal beleid en sociale samenhang. Bescherming van de kwetsbaren op de arbeidsmarkt en binnen de maatschappij vraagt daarmee om een andere invulling. Voor grote breed samengestelde groepen ook afwijkend van het standaard gemiddelde. En ook leidend tot een meer divers spanningsveld tussen het zich als individu ontworstelen aan de maatschappelijke ontwikkelingen leidend tot een zekere uitsluiting. Daarnaast ook dreigend te blijven leiden tot blijvende discriminatie op de arbeidsmarkt en het zo mogelijk via een grote verscheidenheid aan vormen van zelfredzaamheid/ individualisering alsnog komen als individu tot de beoogde min of meer duurzame plaats op de arbeidsmarkt. Beschikt men niet over ondersteunende sociale netwerken dan komt men in een zekere achterstandssituatie terecht.

    Het toepassen van additionele arbeid kan hier stimulerend of remmend werken. Dit mede afhankelijk van het eerder genoemde diverse spanningsveld tussen individuele-, sectorale- en uitvoeringsbelangen. Zij kan daarbij immers ook gaan leiden tot het vormgeven aan moderne vormen van afroming en verdringing tussen de leden van de diverse doelgroepen van beleid. Daarmee leidend op termijn tot moderne spanningsvelden/ botsingen tussen sectorale belangen, uitvoeringsbelangen en individuele belangen.

    Inkomensbescherming komt daarbij meden de tijd gezien in een andere relatie te staan tot het komen tot zelfredzaamheid en het komen tot maatschappelijke participatie in het bijzonder het deelnemen aan het arbeidsproces. Betaald werk krijgt daarbij ook een  andere functie gedurende het geheel van een levensloop. Toch komt niet iedereen tot de beoogde transities op de arbeidsmarkt en werpen maatschappelijke ontwikkelingen  tijdens diverse tijdstippen een verscheidenheid aan (in)formele drempels en knelpunten op.

   Vrije keuzes en de mate van individuele zelfredzaamheid komen daarbij ook vaak onder druk te staan. Steunberen krijgen daarbij een zeer diverse functie en sociale netwerken worden van toenemend belang. Baanmobiliteit en werkmobiliteit krijgen voor velen ook een andere betekenis. En dynamisering van een levensloop  blijft niet voor iedereen dezelfde betekenis houden. Daarmee het belang benadrukkend van het komen tot een diverse samenhang tussen levensloopbeleid en generatiebewust beleid. In deze veranderende samenhang dienen wij te komen tot de noodzaak van een meer divers inzicht in de  voor grote groepen veranderende samenhang tussen het behoren tot de groep van working poor en het blijvend behoren tot de onderklasse. En wat het al dan niet duurzame effect is van de toepassing  op een individu van het  additioneel arbeidsmarktbeleid. Voor velen vraagt het om een andere relatie tussen het toepassen van het middel additionele arbeid als hulpmiddel  om door te stromen richting reguliere arbeidsmarkt en het in min of meer definitieve mate behoren tot de doelgroep van het additionele arbeidsmarktbeleid.

   (Aanvullende) maatschappelijke problemen van (potentiële) cliënten staan daarbij ook vaak in een diverse relatie met het behoren tot een administratieve doelgroep van activerend arbeidsmarkt- en sociaal zekerheidsbeleid. Een op een relatie valt niet te verwachten. Concentratie van een veelheid aan maatschappelijke problemen doet zich daarnaast wel voor aan de onderkant van de arbeidsmarkt en de rafelrand van de samenleving, maar heeft daarnaast in toenemende mate een divers individueel karakter gekregen. Individueel maatwerk wordt daarmee in toenemende mate gevraagd, maar blijft  vaak gekoppeld aan de specifieke plaats binnen het stelsel van activerend arbeidsmarkt- sociaal zekerheidsbeleid. Zo zien wij met name een toename van individuele reïntegratietrajecten onder WW-ers en gedeeltelijk arbeidsongeschikten. Maar veel  minder onder de leden van  de doelgroep van het gemeentelijk reïntegratiebeleid.

   Een werkelijk voor iedereen effectief en doelmatig reintegratiebeleid vraagt naast blijvende aandacht voor de meer problematische doelgroepen in toenemende mate aandacht voor het individu. Dit niet enkel op het microniveau van de uitvoering, maar ook op meso- en macroniveau van de beleidsvorming. Dit om transities van afzonderlijke cliënten tussen doelgroepen van beleid beter mogelijk te maken. Zo niet  dan blijft zij versterkend werken bij het opwerpen van allerlei (in)formele drempels en knelpunten. En blijft zij bevorderen een niet gewilde mate van zelfredzaamheid, waarbij ondersteunende  informele sociale netwerken van cliënten van toenemend belang worden. De mate van in- en uitsluiting krijgt daarmee voor velen ook een andere lang niet altijd gelijkwaardige invulling.

De poortwachter als start

   De poortwachtersfunctie heeft daarnaast  wel geleid tot een zekere vermindering van het aantal bijstandsgerechtigden op de korte termijn, maar aan de andere kant is het aantal langdurig bijstandsgerechtigden de harde  kern nauwelijks afgenomen. En vallen velen op termijn weer terug in de bijstandsuitkering. De samenstelling van het bestand aan bijstandsgerechtigden wat daarnaast onder druk staat vanwege de herkeuring van gedeeltelijk arbeidsongeschikten, waarvan  grote aantallen t.z.t. in de bijstand belanden. 

    Afwijkingen van het standaardgemiddelde spelen verder een belangrijkere rol in de beleidsvorming en – uitvoering.  Beleidsvorming enkel gebaseert op standaardgemiddelden dient daarmee in toenemende mate gerelativeerd te worden in sterke mate (WRR, 1996). Prioriteitsvolgorde in de beleidsvorming op basis van de relatie met een (vroegere) werkgever blijft een dominerende rol spelen bij het vormgeven aan het activerend arbeidsmarktbeleid. Daarmee leidend tot een prioriteit in de volgorde van beleidsvorming tussen regulier werkenden, WW-ers, (gedeeltelijk arbeidsongeschikten en bijstandgerechtigden. Administratieve belangen in belangrijke mate in de vorm van de vorm het blijven geven aan een blijvende prioriteit aan institutionele- en organisatorische belangen en zijn verdere vertaling vindend in administratieve (uitvoerings)regelingen blijven domineren.

    Een individu blijft van een afgeleid belang van regelingen en instituties en organisaties. Een constatering, die nog is versterkt door het verleggen van de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de WWB bij gemeenten te leggen. En dit terwijl in de formele- en materiële beleidsvorming het komen geschakelde maatwerktrajecten van toenemend belang wordt. Tegenstellingen tussen formeel beleid en materiële uitwerking zal het daarmee voor grote groepen met zich mee blijven brengen in een periode van toenemende individualisering en het in toenemende mate centraal stellen van het komen tot zelfredzaamheid. Vrijheid in gebondenheid krijgt daarmee richting doelgroepen van beleid een diverse uitwerking.

   Flexwerkers, additioneel werkenden en mensen met een vaste aanstelling hebben daarbij lang niet altijd dezelfde belangen. Blijvende onderklassevorming en het voort blijven bestaan van een divers samengestelde groep van working poor komen daarbij ook in een andere relatie tot elkaar te staan. Ondersteuning door de (semi)overheid e.a. vraagt daarmee om een andere invulling. Tweedeling komt daarbij ook  in een ander perspectief te staan. En maatschappelijke ontwikkelingen blijven daarbij vaak haaks staan op administratieve regelingen.

   Gelijkheid en gelijkwaardigheid krijgen daarbij ook hier bij de vormgeving aan het activeringsbeleid een andere minder eenduidige betekenis. Doorstroom vanuit een additionele arbeidsplaats bleef tot nu toe immers beperkt; dit terwijl velen meer wilden, maar ook konden. Aspiraties al dan niet op de lange termijn kon men slechts in beperkte mate concretiseren. Activeringsbeleid  blijft te veel gericht op het op korte termijn komen tot en verandering in individueel- en groepsgedrag, maar blijft te weinig aandacht toekennen aan de meer op de lange termijn van belang zijnde veranderingen. En constatering, die wij ook terug zien in de beleidsevaluatie – en monitoring. 

    Daarmee vragend om richting individu in brede zin te komen tot een andere vormgeving aan het activeringsbeleid. Dit om tot een grotere mate van gelijkwaardigheid en gelijkheid te komen. Administratieve beperkte indelingen van cliënten in doelgroepen van gefragmenteerd beleid  zijn en blijven daarbij ondergeschikt.

    Reintegratiebeleid vraagt daarmee in brede zin om een andere invulling wil zij werkelijk effectief en doelmatig zijn voor een brede groep. Beleid en al dan niet gevraagde zelfredzaamheid komt daarbij ook in een andere relatie tot elkaar te staan. Vrijheid en individueel welbevinden krijgen een andere invulling. Daarmee de vraag stellend wat de bijdrage kan zijn van de vormgeving aan het activeringsbeleid bij het komen tot adequate vormen van maatschappelijke participatie? En het ontstaan van samenhang tussen individu en beleid? De samenhang tussen beleid en individu wordt een andere dat is wel zeker, maar of er voor iedereen  voldoende samenhang zal ontstaan tussen sociale beleid en sociale cohesie blijft onduidelijk. Sociaal isolement doet zich tenslotte voor onder breder samengestelde groepen. En daarmee leidend tot een andere samenhang tussen sociaal beleid en sociale cohesie ( Schuyt, K., 1997), Steunberen krijgen een andere taak.

   De door een individu te lopen risicoos zijn daarmee voor het beleid minder eenduidig te duiden in relatie tot de positie van een individu. Collectieve vormgeving aan rechten en plichten vraagt daarmee om een andere vormgeving. Maatschappelijke ontwikkelingen komen in een andere relatie te staan tot administratieve recht- en regelgeving. Daarbij ook zorgdragend voor de noodzaak van het komen tot een andere samenhang tussen de noodzaak van de vormgeving aan generieke beleidsvorming en het komen tot een levensloopregeling. Het individuele belang intervenieert daar vaak op een diverse aard en wijze doorheen. Formele drempels en knelpunten intervenieren daarbij ook vaak op een diverse aard en wijze met maatschappelijke knelpunten. Lange- en korte termijneffecten van het ontwikkelde beleid komen daarbij voor grote groepen ook in een andere relatie tot elkaar te staan. Daarmee voor grote groepen ook leidend tot een andere relatie tussen gelijkheid en gelijkwaardigheid.

   In een diverse samenhang en intensiteit met elkaar doen zich onder groepen uitkeringsgerechtigden ook meervoudige brede maatschappelijke problemen voor. En tijdelijkheid van tegenspoed komt daarbij voor een individu ook vaak in een andere relatie te staan tot het definitief behoren tot een (mogelijke) doelgroep van gericht beleid. Administratieve verbrokkelde doelgroepen van beleid blijven echter vaak het uitgangspunt vormen voor de beleidsvorming. Een relatie  met een vroegere werkgever blijft daarbij in belangrijke mate bepalend voor de indeling. Daarmee grote groepen uitkeringsgerechtigden met name langdurig werklozen de “blijvers” in de bijstand op voorhand al op achterstand zettend.

 Diverse belang van een individu.

   Het vanuit het diverse belang van een individu eenduidig karakteriseren van voor het beleid relevante problemen van clienten wordt mede daardoor ook steeds moeilijker. Het toenemende belang van een op een individu gericht beleid maakt het belang des te groter om als uitgangspunt van de beleidsvorming niet enkel te blijven nemen beperkte statistische gemiddelden. Afwijking daarvan zal in toenemende mate voorkomen. De divers te definieren sociale omgeving van clienten wordt van toenemend belang. Dit onder het blijvend voortbestaan van bepaalde meer problematische doelgroepen van beleid min of meer blijvend aan de rafelrand van de samenleving. Een specifieke sociale omgeving bestaande uit een divers evenwicht tussen sterke-, maar beperkte sociale netwerken en brede- en daarnaast zwakke sociale netwerken doet zich daarbij voor onder een breed samengestelde groep.

   Zij wordt daarbij van een divers belang bij het bepalen van de mate van succes van het geformuleerde beleid. Dit daar bij de  meer problematische doelgroepen van beleid een terugval in de bijstandsuitkering ook regelmatig voor kan komen. Het centraal stellen van het op de korte termijn  komen tot succes kan op de lange termijn  ook negatief werken. Toch komt het regelmatig voor in  een  periode dat de poortwachterfunctie steeds meer centraal komt te staan. Scoringsdrift van gemeenten en reintegratiebedrijven blijft  maar al te vaak domineren.

    Tussen de diverse beleidsniveaus en beleidsvelden zal in mede daardoor ook in toenemende mate een zekere diversiteit gaan ontstaan. Een verschijnsel wat ook wordt  verstrekt door het blijvend van elkaar verschillebn van de mate van intensiviteit en omvang van de relevante problemen. Op een qua intensiteit en wijze heeft een grote diversiteit aan clienten vaak te maken met meervoudige problemen. Problemen, die men ook vaak verbrokkeld zichtbaar en daarmee behandelbaar blijft maken. Daarmee zijn gevolgen hebbend voor de relatie tussen een geschakelde aanpak van de meervoudige problemen en het komen tot maatschappelijk welbevinden van een divers samengestelde groep. Steunverlening door de (semi)overheid e.a. vraagt daarmee om een andere invulling wil zij werkelijk voor iedereen “bevredigend” zijn.

    Daarnaast blijft er een grote groep van langdurig werklozen bestaan; de groep van blijvers in de bijstand. Naast een blijvende benodigde concentratie van de dienstverlening op bepaalde  de meer problematische groepen wordt het vormgeven aan meer individuele vormen van ondersteuning van toenemend belang.  Zelfhulp in de vorm van individuele reintegratieovereenkomsten  wordt daarbij  van toenemend belang en krijgt een diverse formele invulling. Vaak gerelateerd aan eerder geformuleerde doelgroepen van  arbeidsmarkt- en sociaal zekerheidsbeleid. 

    Additionele arbeid zet men in grote verscheidenheid in als een middel om te komen tot reparatie van opgelopen grote diversiteit aan schrammetjes voor een naar relevante problemen en aspiratieniveau, capaciteiten en mogelijkheden breed samengestelde groep. Het opheffen van (opgelopen) achterstanden speelt hierbij als formele beleidsdoelstelling een belangrijke rol.

    Daarbij ook de vraag oproepend waar in de praktijk het spanningsveld  zal ontstaan tussen tussen gelijkheid en gelijkwaardigheid. Een startpositie  is vaak al niet gelijk en de eindsituatie zal voor velen nog veel te wensen overlaten. Een grote diversiteit aan door velen in te nemen intermediaire posities zal waarschijnlijk het resultaat zijn. Eenduidigheid in uiteindelijk in te nemen maatschappelijke situatie zal gezien een toenemende diversiteit naar aspiratieniveau, capaciteiten en mogelijkheden binnen de doelgroep niet e verwachten zijn.  Dit alles onder handhaving van het blijvend voortbestaan van de bekende  probleemgroepen aan de onderkant van de arbeidsmarkt en de rafelrand van de  arbeidsmarkt en samenleving, waaronder grote groepen langdurig  werkzoekenden zonder werk en blijvers in de bijstand. De  onderklasse (Engbersen, G., 1990 en 2006). Afwijkingen van het standaard gemiddelde zijn verder in toenemende mate te verwachten.

   Beleidsvorming vraagt daarmee ook in toenemende mate om een meer dynamische vormgeving, maar gebeurt in de praktijk nog te veel op basis van statische rechten en plichten. Daarnaast wordt de noodzaak groter om te komen tot de vormgeving aan individuele- vaak meervoudige- geschakelde meer langdurige trajecten. De dreiging blijft daarbij echter wel groot dat dit leidt tot moderne vormen van bevoogding, betutteling en paternalisme. Wat daarnaast dan tot gevolg kan hebben dat in de beleidsvorming in sterke mate sprake blijft van moralisering ( Ham, M., Tonkens, E. en Uitermark, J., 2006).

   

Moderne afroming.

   Moderne vormen van afroming en verdringing tussen de leden van de diverse doelgroepen van beleid kunnen zich daarbij ook  in een grote verscheidenheid voor doen. Het komen tot op de korte termijn optredende veranderingen in het gedrag en de houding van afzonderlijke clienten blijft bij  de vormgeving aan het beleid immers ook in belangrijke mate domineren; dit terwijl bij velen om een diversiteit aan redenen een meer langdurig goed geschakeld traject verre te prefereren zou zijn. Het gebuikt van het middel  additionele arbeid vraagt daarmee al met al in toenemende mate om een meer individuele invulling.. maar dit in combinatie met een blijvend grote groep, die ook op de wat langere termijn blijft aangewezen op een vorm van gesubsidieerde arbeid.

   Overgangen van individuele clienten tussen gefragmenteerde doelgroepen van beleid worden daarmee van toenemend belang. Daarmee in toenemende verscheidenheid een druk leggend op het vormgeven aan een bevredigend uitvoeringsbeleid, waar gelimiteerde administratieve belangen niet langer voorop blijven staan, maar eerder ondersteunend blijven werken. En waar gevoelens van aanvankelijke tevredenheid bij velen op termijn afneemt als een meer duurzaam perpectief niet geboden  wordt (Libregts, I., 1992 en Koopal, J.A., 1994).

   Individuele- en houdingskenmerken komen ook in een andere relatie tot elkaar te staan voor een breder samengestelde groep. En aanvullende (materieele) hulpbronnen en dienstverlening vragen daarnaast in het actuele tijdsgewricht ook in toenemende mate om een meer individuele  vertaling van aard en wijze van toediening; dit gekoppeld aan een grotere minder eenduidige intensiteit in de te verlenen dienstverlening. Dienstverlening, waarbij in toenemende mate institutionele- en organisatorische belangen ondergeschikt dienen te zijn. Dit ook omdat in recht en regelgeving op met name op individueel niveau ook steeds minder sprake zal zijn van eenduidigheid en overgangen van individuen van de ene naar de andere doelgroep van beleid in toenemende mate  centraal  dient te staan. Daarmee in toenemende mate een groter belang toekennend aan het komen tot transities bij de  concretisering van de uitvoering van het beleid.

    Ook verder heeft niet iedereen een gelijkwaardige kans om opgelopen schrammetjes in gelijke mate te herstellen en alsnog m.b.v. van ondersteuning door de (semi)overheid e.a. te komen tot een volwaardig nagestreeft burgerschap. Wederkerigheid tussen rechten en plichten en bij het aangaan van relaties tussen vraag- en aanbodskant van de arbeidsmarkt komen daarmee vaak in een andere meer diversere relatie tot elkaar te staan.  Daarbij al dan niet op de termijn  niet altijd leidend tot voldoende gelijkwaardigheid. Rechten en plichten blijft men vaak bepalen in een beperkte administratieve vertaling van door individuen nagestreefde maatschappelijke doelen. Na te streven doelen waar een beperkte vertaling van een geschatte “afstand” tot de arbeidsmarkt een belangrijke rol speelt.

     Ook administratieve gelijkheid vraagt daarmee al met al in het actuele tijdsgewricht om tot een andere samenhang te komen met maatschappelijke gelijkwaardigheid. Het belang van het geven van prikkels en het toedienen van stimulansen komen daarmee met name op individueel niveau vaak in een andere relatie tot elkaar te staan. Een verhouding, die in de tijd gezien ook vaak een andere invulling zal krijgen. Zij vragen daarmee ook in de tijd gezien vaak om een andere invulling van aanvullend te verlenen dienstverlening en het invullen van individuele rechten en plichten. Rechten en plichten, die ook in de tijd gezien steeds moeilijker eenduidig te benomen zullen zijn. In toenemende verscheidenheid kunnen mensen zich ontwikkelen  tijdens een ingezet traject. En worden verborgen talenten zichtbaar.

    Additionele  arbeid als smeermiddel werkt in deze slechts beperkt in beperkte mate, omdat er in belangrijke mate slechts sprake blijft van een beperkte administratieve invulling van rechten en plichten. Dit terwijl  de ontwikkeling bij  afzonderlijke clienten van potentieele aspiraties, capaciteiten en daaraan verbonden mogelijkheden zich inn toenemende mate op een niet eenduidige aard en wijze voort zal doen. Dit voor een naar aspiratieniveau, capaciteiten en mogelijkheden al dan niet op de wat langere termijn breder  dan voorheen samengestelde groep. Voor velen heeft het de betekenis van een dead-end job. De doorstroom naar de reguliere arbeidsmarkt blijft immers beperkt.

   Dit terwijl velen  meer kunnen en meer willen (Libregts, I., 1992, Koopal, J.A., 1994, Berkers, P. en  Toorn, M van der, M., 20023, Toorn, M van der, 2003, Arichi, K. en Meerman, M., 2003). Vele formele- en informele blokkades om dit te bewerkstelligen blijven bestaan. Drempels- en knelpunten, die gedeeltelijk zijn te vertalen in administratieve termen, maar daarnaast een veel breder maatschappelijk karakter dragen. Zij kunnen  o.a.  liggen in zich pas in de loop der tijden  ontwikkelende aspiraties en mogelijkheden en/ of binnen zich  slechts  in beperkte zin zich voordoende sectorale mogelijkheden voor clienten om te komen tot verdere ontwikkeling. Verborgen  capaciteiten en aspiraties kan men daarmee te weinig ontwikkelen ( Berkers, P. en Toorn, M van der., 2002 en Toorn, M van der, 2003). 

   Zij- de maatschappelijke ontwikkelingen en de daaruit voortvloeiende veranderde maatschappelijke tegenstellingen- zijn mede daardoor voor een werkelijk adequate beleidsvorming ook lang niet enkel te vatten in strikt tegengestelde belangen tussen generaties en daarmee het in de beleidsvorming strikt enkel centraal (blijven) stellen van een levensloopbenadering in een enkel beperkte administratieve vormgeving. En het sociale vraagt mede daardoor in toenemende  mate om een andere invulling t.o.v. het administratieve. Afwijkingen komen immers in toenemende mate voor. Daarmee ook vragend om een andere invulling van het sociale beleid in wisselwerking met de tot stand komende sociale cohesie. Dit onverlet latende dat een zekere min of meer permanente onderklasse zal blijven voortbestaan. Een grote verscheidenheid aan steunberen  in relatie tot een grote verscheidenheid aan bruggenbouwers wordt daarbij van toenemend belang. Daarbij voort laten bestaan een grote groep aan (in)formele betrokkenen.

    Het pad van onderklasse, het m.b.v. de toepassing van het arbeidsmarktmiddel additionele arbeid  komen tot de positie van working poor om t.z.t.  hopelijk uit te stromen richting de reguliere arbeidsmarkt vraagt daarmee in toenemende mate om een meer individuele invulling van een traject. En dit laatste in samenhang met de vereiste mate van zelfredzaamheid. Formele- en informele netwerken komen daarbij in een andere relatie tot elkaar  te staan. Sociaal isolement straft zich daarbij in toenemende verscheidenheid af. Dit gezien de sterk veranderende maatschappelijke verhoudingen, die een naar aspiratieniveau, capaciteiten en mogelijkheden diverser samengestelde groep kwetsbaar heeft gemaakt.

    Daarmee plaatst het automatisch op de voorgrond het principe van in hoeverre is iedereen als individu in staat en bereid om als individu iets te presteren en daarmee te voldoen aan het principe van voor wat hoort wat? En dit ook in een in toenemende verscheidenheid met de tot stand komende wisselwerking met de actuele- en voorziene recht- en regelgeving. Het vraagt daarbij om een in grotere verscheidenheid tot stand komende inzet van ondersteunende  middelen. Dit naar  kwantiteit, kwaliteit en duur en intensiteit. Een effect van het in beperkte termen geformuleerde beleid wat op individueel niveau in grote verscheidenheid tot stand kan komen. Daarmee ook in grote verscheidenheid een druk leggen op de mate van doelmatigheid van het geformuleerde beleid. Verschillen tussen micro-, meso- en macro zullen zich daarbij in toenemende mate voordoen. De relatie tussen verheffen, verzekeren, verzorgen en verbinden vraagt daarbij niet enkel op het administratief generieke niveau om een andere invulling.

    Voor een  niet onaanzienlijk gedeelte vraagt daarmee de hervorming van de verzorgingsstaat met name op het individuele meer diverse niveau om een herijking van het evenwicht tussen de mate van verzorgen, verzekeren, verheffen en verbinden. De actuele vormgeving aan het gemeentelijke (re)integratiebeleid laat teveel drempels en knelpunten voortbestaan. Drempels en knelpunten, die met  zullen blijven liggen op een zeer divers individueel niveau, naast het in diverse termen centraal blijven stellen van het belang te komen tot  maatschappelijke insluiting van (doel)groepen in de marge van de  arbeidsmarkt en de rafelrand van de samenlving. Daarbij blijven veel openingen voor de outsiders op de arbeidsmarkt gesloten, omdat zijn niet tot de groep van insiders  behoren. Overgangen tussen onderklasse, working poor en regulier werkenden blijven daarom voor een groot gedeelte bestaan. En dit terwijl vele additioneel werkenden meer kunnen en meer willen.

 

Breuklijnen.

   Het zichtbaar maken van individuele breuklijnen en de daarmee in grote verscheidenheid samenhangende optredende drempels en knelpunten wordt van toenemend belang. Daarnaast krijgt het op het voor iedereen op een “bevredigende” wijze vat  krijgen op de relatie tussen in- en outsiders een toenemend belang. Vrijheid in gebondenheid voor een individu behoeft daarbij een vaak zeer diverse invulling. Het komen tot voldoende steunberen en het creeren van  adequate bruggenbouwers wordt daarbij van toenemend belang. Dit als we willen komen tot een voor iedereen bevredigende wisselwerking tussen het individuele en het sociale. Een wisselwerking waarbij  niet diametraal tegenover elkaar blijven staan in- en outsiders.

    Breukvlakken in individuele levenslopen en daarnaast ook arbeidsloopbanen doen zich immers in toenemende mate voor op een diverse aard en wijze. Het  in grote verscheidenheid vat  krijgen en houden op de transities tijdens een individuele levensloop wordt van toenemende belang. In het Sociaal- en cultureel rapport 1992 wed destijds al een oproep gedaan om meer onderzoek te doen rond het geheel van een traject van selectie, werving, (aanvullende scholing, werkervaring en zo mogelijk uitplaatsing (S.C.P., 1992, blz.95). Dit echter zonder veel concrete gevolgen. Daarnaast werd in het WRR-rapport  “Tweedeling in perspectief” al gewaarschuwt voor een beleid enkel gebaseert  op statistische gemiddelden. Dit omdat de kans steeds groter wordt dat men als individu  afwijkt van de standaardmodelburger, die de basis blijft vormen voor de beleidsvorming. 

   Toch blijft ook nu nog steeds de mate van inzicht in het geheel van de zich tijdens een individueel traject zich voordoende bevorderende- en belemmerende factoren bij leden  uit een doelgroep van gericht arbeidsmarkt- en sociaal zekerheidsbeleid beperkt van omvang en karakter. Dit in een tijdsperiode dat zorg wordt gedragen voor een grote- en ook in toenemende verscheidenheid aan optredende drempels en knelpunten om als individu te komen tot een “bevredigende” duurzame vorm van (her)intreden op de arbeidsmarkt. Het vraagt daarmee ook in toenemende mate om een meer diverse invulling van de richting een afzonderlijk individu vorm te geven ondersteuning. Veel van de getroffen maatregelen zijn ook vaak enkel gericht in het op de korte termijn tot stand brengen van veranderingen. Daarbij blijft echter de mate van inzicht in de  op de lange termijn optredende veranderingen beperkt van omvang.

   Een ondersteuning, waarbij individuele netwerken van clienten en een reeds bij clienten in grote graduele verschillen bestaande mate van zelfredzaamheid in toenemende mate en in grote verscheidenheid een bepalende rol gaan spelen dienen wij meer in de beleidsvorming te betrekken. Kortom een formulering van politiek en beleid, waarbij meer een probleemgerichte benadering centraal staat en niet een administratief procedurele benadering. Het toedienen van prikkels zal daarbij dan ook in grote verscheidenheid zijn uitwerking dienen te hebben op het geheel van de doelgroep van beleid. En daarmee heeft het in grote verscheidenheid zijn uitwerking op het reele effect en doelmatigheid van het geformuleerde beleid.

    De relatie tussen duurzaam in de bijstand, het al dan niet tijdelijk uit de bijstand, de  periode van het bekleden van een additionele arbeidsplaats en het zo mogelijk uitstromen naar de reguliere arbeidsmarkt zal voor grote groepen een andere worden. Daarmee ook blijvend verantwoordelijk voor het optreden van eigentijdse vormen van verdringing en afroming van doelgroepen van beleid. Een verschijnsel wat zich nog des te sterker voor zal doen als onvoldoende zorg wordt gedragen d.m.v. het vormgeven aan maatgesneden dienstverlening aan individuele “bevredigende” dienstverlening. Een dienstverlening, waarbij ook in toenemende mate richting individu een onderscheid gemaakt dient te worden tussen het korte termijneffect- en het lange termijneffect. Tegendraadse uitwerking van geformuleerde maatregelen  zal zich in toenemende mate voordoen op individueel niveau (Schuyt, K., 1995).

     En verder doet sociaal isolement zich in toenemende mate voor op diverse niveaus. En dit laatste niet enkel onder groepen langdurig bijstandsgerechtigden. De mate van effectiviteit van het geformuleerde beleid, die daarnaast onder toenemende druk staat vanwege het steeds meer centraal stellen van de poortwachtersfunctie en de herkeuring van gedeeltelijk arbeidsongeschikten, waarvan grote groepen op termijn in de bijstand terecht komen. De relatie tussen onderklassevorming en working poor wordt daarmee ook anders van samenstelling.

    De duurzaamheid van plaatsing op een additionele arbeidsplaats vraagt daarmee ook in toenemende mate om een meer diverse invulling wil een doelstelling van richting individu te formuleren beleid niet omslaan van een positief voordeel in een  op termijn optredende negatieve consequentie. Zij komt in de beleidsmonitoring en (opdracht)evaluatie van het staande beleid  echter nog steeds te weinig tot uiting. De dreiging blijft daarnaast ook groot dat zij, die achter in de rij staan achter in de rij blijven staan (Kloosterman, R., 1987). Een onderkant van de arbeidsmarkt en rafelrand van de samenleving, die verder in sterke mate een kleurtje krijgt, maar daarnaast door de sterk veranderende maatschappelijke omstandigheden een gedeeltelijk andere samenstelling krijgt qua aspiratieniveau, capaciteiten en mogelijkheden voor clienten op termijn. Dit doordat een  diverser samengestelde groep kwetsbaar is geworden.

    De duurzaamheid van de uitsluiting krijgt daarbij voor een gedeelte een ander karakter en heeft zich voor een gedeelte verhard. Het belang van de noodzaak van vaak langdurige trajecten wordt daarmee  groter. Een effect wat in de evaluatie/ monitoring nog steeds te weinig  zichtbaar wordt gemaakt. De opdrachtevaluatie blijft zich voor een groot gedeelte richten op een beperkt aantal op de korte termijn  optredende effecten. En dit ook in een tijd dat dienstverlening in toenemende mate ook in de tijd gezien om  een  zeer diverse invulling vraagt. Al met al vraagt het in toenemende mate om een meer divers evenwicht tussen puur plaatsing op zich, de duurzaamheid van de plaatsing en het verstrekken van (aanvullende) scholing en dienstverlening. Puur het toedienen van prikkels zal m.b.t. grote gedeelten van de doelgroep niet werken (Algemene Rekenkamer, 2006).

    Zwakke- maar brede sociale verbanden staan daarbij in een   grotere verscheidenheid tegenover sterke- maar beperkte sociale verbanden. Sociale verbanden, die in belangrijke mate bepalend zijn en blijven voor een individu voor het t.z.t. succesvol bereiken van de (additionele) arbeidsmarkt. Vele banen worden tenslotte vervuld via het succesvol gebruiken van deze informele netwerken. Inzet van ondersteuning vraagt al met al in toenemende mate om een andere invulling.

   Daarmee het grotere belang benadrukkend van het succesvol met elkaar verbinden van de sociale netwerken aan de vraag- en aanbodskant van de arbeidsmarkt. Een verbinding, die wij in toenemende mate op een in grote verscheidenheid tot stand  komende aard en wijze dienen te verrichten gezien de duurzaam veranderende samenstelling van de doelgroep. Onder handhaving van het voortbestaan van de bekende probleemgroepen. Daarbij ook bij grote groepen met name langdurig bijstandsgerechtigden en verder  veel individuele clienten rekening (Hortulanus, R.F., Machielse, A. en Meeuwesen, L., 2003) houdend met de sociale netwerken, die  vaak sterk zijn ingekrompen en naar binnen gekeerd.

    Aspiraties van afzonderlijke clienten, die zich daarnaast op een niet eenduidige aard en wijze ontwikkelen. En zich met name bij langdurig werklozen er vaak lang  over doen  om het reele gehalte van deze aspiraties duidelijk te laten worden ( Berkers., P. en Toorn, M., 2002 en Toorn, M van der, 2003). Daarnaast een aanvankelijk gevoel van tevredenheid  wat sterk  verminder als een duurzaam  perspectief gaat ontbreken. Daarmee legt het in grote verscheidenheid een druk op het concrete korte- en lange termijn effect van het beleid. Een effect wat wij te enig zichtbaar blijven  maken in de (opdracht)evaluatie en monitoring. En dienstverlening met name hierom om een zeer diverse- en langdurige invulling blijft vragen.  Maatwerk wordt ook hier in toenemende mate gevraagt wil een traject ook op de wat langere termijn werkelijk effectief zijn.

    Het bekleden van een additionele arbeidsplaats kan op een moderne wijze leiden tot het optreden van verdringing en afromen van de leden van doelgroepen van beleid  vanwege het grotere risico voor een naar aspiratieniveau, capaciteiten en mogelijkheden diverser samengestelde groep. Institutionele- en organisatorische belangen, werkgevers en werknemersbelangen en belangen van een individuele client spelen hier op een moderne wijze door elkaar heen. Daarmee leidend tot eigentijdse botsingen over te stellen prioriteiten. 

 

Diversiteit aan cliënten.

   Het zich bij een grote diversiteit aan al dan niet potentieele clienten van gericht arbeidsmarkt- en sociaal zekerheidsbeleid zich in een diverse mate en intensiteit voordoen van al dan niet beoogd sociaal isolement, die ook in belangrijke mate bepalend is en blijft voor het al dan niet succesvol toedienen van (aanvullende) hulpbronnen door (semi)overheid e.a. Hulpbronnen, die men vaak aan blijft bieden vanuit centraal blijven staande beperkte organisatorische- en institutionele belangen en  door een vertaling in beperkte administratieve recht- en regelgeving. Het actuele tijdsgewricht vraagt echter in belangrijke mate om een richting individu ander meer divers evenwicht tussen het administratieve- en het sociale.

    Dit ook  vanwege het optreden  van het feit dat wij in toenemende mate te maken hebben met een  in grotere verscheidenheid en in een diversere intensiteit onder de leden van gefragmenteerde doelgroepen van gelimiteerd administratief beleid in grote verscheidenheid heersende brede maatschappelijke problemen. Problemen, die op een diverse aard en wijze een drempel en knelpunt kunnen vormen bij het verder toetreden/ herintreden tot de arbeidsmarkt. Maatschappelijke- in samenhang met arbeidsmarkt en  sociaal zekerheidskenmerken spelen  daar op het niveau van een individu vaak op een diverse aard en wijze door elkaar heen.  Met name bij de doelgroepen van gemeentelijk re)integratiebeleid de blijvende onderklasse en de van samenstelling  veranderende groep van working poor in extra mate voor zal komen.

  De relatie tussen  onderklasse en working poor wordt daarnaast voor grote groepen ook een meer dynamischere en voor een gedeelte daarmee worden deze scheidslijnen ook minder duurzaam van karakter. Het (gemeentelijk) reintegratiebeleid vraagt daarmee om een in toenemende mate benodigde meer diverse invulling. Een invulling, waarbij daarnaast de verhouding tussen oorzaak en gevolg en tussen  schuld en boete voor grote groepen een andere wordt. Daarbij ook leidend tot een ander evenwicht tussen gewenste- en ongewenste gevolgen.

     Daarbij ook leidend tot een andere vormgeving aan de rechtvaardiging en legitimering van het beleid. Beiden zijn al meer aan het verschuiven naar het principe van voor wat hoort wat. Daarmee bij velen veroorzakend een andere evenwicht tussen rechten en plichten. Van het komen tot gelijkwaardigheid is daarbij lang niet altijd sprake. En de benodigde dientverlening staat bij velen onder druk. Een dienstverlening, die daarnaast met name onder druk staat daar grote groepen clienten te maken hebben met  een diversiteit aan vaak meervoudige  maatschappelijke problemen en die men  aan blijft bieden op een verbrokkelde aard en wijze. Instellingsbelangen en belangen van uitvoeringsorganisaties blijven daarbij vaak voorop staan.

    Normatieve oordelen en feitelijke kwalificaties t.a.v. clienten krijgen bij de beoordeling aanvullend ook een andere waarde. Oordelen en kwalificaties, die men in belangrijke mate blijft vormgeven op basis van een beperkt administratief inzicht in de feitelijke ontwikkelingen bij clienten. Het geheel van de zich op het niveau van een individu uit een doelgroep van gericht arbeidsmarkt- en sociaal zekerheidsbeleid zich ( mogelijk) voordoende bevorderende- en belemmerende factoren blijft beperkt van omvang

  Formele startkwalificaties en elders verworven  meer informele kwalificaties krijgen daarbij voor een breed samengestelde groep ook in toenemende mate een meer diverse rol van betekenis in de feitelijke beleidsvorming. Dit gekoppeld aan het in toenemende mate van belang wordende meer diverse spanningsveld waar de uitwisseling tussen zittende  klasse en client plaatsvindt. Deze specifieke sociale omgeving, die steeds minder in eenduidige termen valt te definieren. En waar vertaling van individuele rechten en plichten van afzonderlijke clienten door de zittende klasse in toenemende verscheidenheid een rol van betekenis gaat spelen.

   Verder bevindt zich tussen onderklasse, working poor en het bekleden van een duurzame reguliere arbeidsplaats een qua arbeidservaring  en opleidingsniveau een divers samengestelde groep van flexibel werkenden. Dit onder handhaving van de blijvende rafelrand van de samenleving en onderkant van de arbeidsmarkt. Tijdelijkheid en blijvend behoren tot de onderkant komen voor grote groepen ook in een andere relatie tot elkaar te staan. Leidend tot een andere samenhang tussen administratieve beperkingen en maatschappelijke drempels en knelpunten. Zo heeft het op een andere aard en wijze zijn gevolgen voor het komen tot gelijkwaardigheid.

   Tenslotte krijgt een naar opleidingsniveau en opgedane werkervaring divers samengestelde groep niet altijd een gelijkwaardige kans om te komen tot een duurzaam herstel van de opgelopen schrammetjes. Meer moderne vormen van al dan niet optredende omkeerde vormen van verdringing tussen de leden van de diverse doelgroepen van beleid  kunnen zich daarbij voordoen. De verhouding tussen in- en outsiders zal  daarmee op een  meer eigentijdse wijze onder druk blijven staan.  Veel langdurig bijstandsgerechtigden ontstijgen verder op dit moment in het kader van de poortwachtersfunctie dan wel  het bijstandsbestaan, maar over het op lange termijn optredende effect t.a.v. deze groep valt nog weinig te zeggen. Behalve dan het feit dat een  niet onaanzienlijk gedeelte na verloop van tijd weer terugkeert in het bijstandsbestaan (Graaf-Zijl, M., Groot, I. en Hop, J.P., 2006).

    Echter de “afstand” tot de arbeidsmarkt valt voor grote diverser samengestelde groepen steeds moeilijker enkel te vatten enkel in beperkte administratieve termen, daar afwijkingen van het gemiddelde in toenemende mate voor zullen komen op een diverse aard en wijze.  Samenwerking in de uitvoering zal daarom in toenemende mate een rol gaan spelen naast een zekere coordinatie in de beleidsvorming. En dit alles onverlet latende dat er vaak tal van formele- en informele drempels en knelpunten zullen blijven bestaan om te komen tot een voor iedereen “bevredigende” arbeidsplaats. Drempels en knelpunten, die zich ook op een diversere aard en wijze voor kunnen doen tijdens een individuele beroepsacarriere en daarbij aansluitende levensloop. 

   Daarmee dan ook vragend om een in toenemende mate divere relatie tussen startpositie en zich naderhand tijdens een individuele levensloop voordoende bevorderende- en belemmerende factoren om te komen tot het verder vormgeven aan een beroepscarriere. Maatschappelijk beperkende factoren en administratieve recht- en regelgeving komen daarbij vaak in een andere relatie tot elkaar te staan. Zij blijven het ook in toenemende mate moeilijk maken om tot eenduidigheid in de beleidsvorming te komen. Overgangen in de vorm van het komen tot bevredigende transities op de arbeidsmarkt dienen wij dan ook in toenemende mate  vorm te geven op individueel niveau. Daarbij in overdrachtelijke zin een  zeer diverse functie toekennend aan de startkwalificatie. En de definitie daarvan niet enkel te blijven beperken tot beperkte arbeidsmarkt- en sociaal zekerheidskenmerken.

    Tijdelijkheid van het kenschetsen van beperkende factoren dient daarbij in toenemende mate een rol van betekenis te spelen. Beperkt in het recente verleden uitgevoerd onderzoek op het vlak van de additionele arbeid heeft immers al uitgewezen dat  ook clienten met een grote geschatte administratieve “afstand”tot de arbeidsmarkt zich tijdens het bekleden van een additionele arbeidsplaats in sterke mate kunnen ontwikkelen (Libregts, I. 1992 en Koopal, J.A., 1994). Daarnaast werd al eerder duidelijk dat in toenemende mate het  bekleden van een additionele arbeidsplaats een zeer diverse functie had voor een afzonderlijke client (Arichi, K. en  Meerman, M., 2001). Daarmee de vraag opwerpend wat wij centraal stellen is dat het belang van een  instelling/ organisatie of is dat het indviduele belang van een afzonderlijke client? Zij komen op een vaak langere termijn er achter dat men nog verdere aspiraties, capaciteiten en mogelijkheden heeft. Alleen men doet er vanwege een langdurige geworteldheid in een zeer diverse cultuur van werkloosheid er langer over om deze te “ontdekken”. 

   Oorzaken daarvoor liggen in een grote veelzijdigheid aan optredende diverse maatschappelijke  beperkende factoren. Factoren ook, die zich richting individu in een vaak zeer diverse intensiteit en duur voor kunnen doen. Een constatering, waar ook al voor werd gewaarschuwt in  het WRR-rapport “Tweedeling in Perspectief” (WRR, 1996). Zij relativeerde in sterke mate het vormgeven aan beleid enkel op basis van statistische gemiddelden. Dit alles onverlet latende de constatering dat er grote divers samengestelde groepen blijven bestaan, die ondersteuning behoeven bij het komen tot (her)intreden op de arbeidsmarkt.

    De groep van working poor, die daarnaast naar aspiratieniveau, capaciteiten en mogelijkheden al dan niet op de lange termijn ook diverser van samenstelling wordt. Het kenschetsen van de verhouding tussen in- en outsiders vraagt daarmee ook om een andere invulling. Samenhang vraagt daarmee dan ook om andere steunberen om de beoogde wisselwerking te verkrijgen tussen sociaal beleid en sociale cohesie. Steunberen, die ook hier minder eenduidig te benoemen zullen zijn, maar bij grote groepen in toenemende mate zullen blijven vragen om een  meer diverse invulling van het antwoord op de vraag  met wie zijn en blijven wij solidair? Additionele arbeid vraagt daarmee in toenemende mate richting individu om een meer diverse invulling, waarbij een brede dienstverlening centraal dient te staan.

 

Tijdelijkheid bij transitie.

   Al dan niet tijdelijke overgangen tussen beide groepen van working poor en onderklasse zullen ook meer voor gaan komen. Daarmee dan ook leidend tot een diversere samenhang tussen in- en outsiders. De onder een zeer divers samengestelde groep optredende mate van sociaal isolement blijft verder in belangrijke mate bepalend voor het succesvol toedienen van aanvullende hulpbronnen. Het komen tot sociale samenhang blijft daarmee in belangrijke mate verantwoordelijk voor de in grote verscheidenheid tot stand komende mate van  concrete wisselwerking tussen administratieve recht- en regelgeving en maatschappelijke verbanden krijgt daarmee een andere betekenis voor het komen tot een “bevredigende” toediening van aanvullende hulpbronnen.

    Het definieren van de bevredigende dienstverlening dient daarmee voor de (semi)overheid e.a. ook een andere invulling te krijgen. Zij zal minder eenduidig te duiden zijn. Aanvullende hulpbronnen en mate  van al dan niet gewenste- en/ of benodigde zelfredzaamheid van clienten komen in een andere  relatie tot elkaar te staan voor een diverser samengestelde doelgroep en in een sterk veranderende samenleving.  Probleemgericht denken en handelen  buiten het strikt procedureel gericht denken en handelen  dient in toenemende mate een bepalende rol van betekenis te krijgen (WRR, 2006).

 

Conclusie.

   Een samenleving, die verder immers ook voor velen is verworden tot een risicosamenleving. En sociale verbanden mede daardoor in belangrijke mate anders en voor velen ook vaak minder duurzaam zijn komen te liggen voor een naar aspiratieniveau, capaciteiten en mogelijkheden breder samengestelde groep. Modernisering zonder uit te sluiten vraagt daarmee om een andere invulling. Een modernisering, waarbij tegenstellingen tussen groeps- en individuele  belangen zich ook op een andere aard en wijze aan ons voor zullen doen.

    Daarmee een druk leggend in grotere verscheidenheid op het komen tot adequate vormen van werkelijke duurzame insluiting. En zonder dat dit leidt tot al  dan niet partiele duurzame uitsluiting. De tegenstelling tussen in- en outsiders vraagt daarmee in toenemende mate om een andere meer diverse invulling. Een tegenstelling  tussen vraaggerichte – en aanbodgerichte oorzaak zal zich daarbij ook in toenemende verscheidenheid aan ons voordoen. Een tegenstelling, die ook niet valt op te lossen  door enkel te gaan denken in  beperkte generatie gebonden tegenstellingen. Tenslotte kunnen binnen generieke generatie gebonden administratieve groepen aanmerkelijke verschillen op  blijven treden.

    Te nemen (in)formele drempels en knelpunten zullen dan ook bij de vormgeving aan het gemeentelijk (re)activeringsbeleid dan ook in toenemende mate vragen om een meer creatieve diverse- en wisselende invulling op een divers  micro-, meso en macroniveau; dit als wij rekening blijven houden met een toenemende diversiteit binnen het geheel van de groep. Wil zij althans niet blijven leiden tot het optreden in toenemende mate ook met name op  een beperkt  microniveau van tal  van drempels en knelpunten bij het  komen tot  doorstroom van  onderklassse/ working poor naar de zo mogelijk reguliere arbeidsmarkt. En dit in samenhang met sectorale verantwoordelijkheden van werkgevers en werknemers. De groep van additioneel werkenden bestaat al lang niet meer enkel uit de bekende blijvende probleemgroepen aan de onderkant van de arbeidsmarkt (Beer, P.de, 1996), maar is naar  uiteindelijk aspiratieniveau, capaciteiten en mogelijkheden veel diverser van samenstelling geworden.

 
U kunt een e-mailbericht met vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan: kooskoopal@hotmail.com .
Laatst bijgewerkt: 04 juli 2007